dinsdag 27 januari 2015

Ik stond erbij en ik keek ernaar

In zijn NRC.nl column van 24 januari 2015 constateert Youp van ’t Hek verbijsterd dat er bij het gezin van het door haar stiefvader doodgeknuppelde verstandelijk beperkte meisje Daniëlla, wel tien hulpverleningsinstanties betrokken waren en dat er ondanks dat door de oma van het meisje regelmatig aan de bel was getrokken -en ook de hele buurt wist van de mishandelingen- een geschiedenis van botbreuken, messteken en seksueel misbruik uiteindelijk toch fataal afliep. Het meerdere malen herhalen van het getal tien in zijn stuk, dient om te benadrukken hoe ongelofelijk hij het vindt, dat er van al die instanties niemand de ernst van de problematiek heeft begrepen en ernaar heeft gehandeld om de dood van het meisje te voorkomen.

Als beheerder van de blog Jeugdzorg Dark horse kijk ik altijd met gemengde gevoelens naar de publieke verontwaardiging bij dit soort casussen, omdat de terechte boosheid die mensen voelen, lang niet altijd leidt tot een betere aanpak van het probleem, maar in veel gevallen de situatie zelfs verergert, of zich excessief manifesteert in het tegendeel. De handelingsverlegenheid van instanties als jeugdzorg is spreekwoordelijk en heeft in het verleden al veel kritiek gehad, maar de zogenaamde oplossingen voor het probleem sorteren weer effecten die op een andere manier weerstand oproepen. Zo is er de bekende meldingshysterie die al zo’n tien jaar aan de gang is, waarbij een rotsvast geloof dat vaker melden van vermoedens van kindermishandeling veel ellende kan voorkomen onbetwist blijft, terwijl uit talloze jeugdzorgcasussen in de praktijk is gebleken dat het er ook toe leidt dat veel normale gezinnen hierdoor nodeloos in de ellende worden gestort. Onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ worden gezonde patiënten ‘ziek’ verklaard en volgespoten met het jeugdzorgmedicijn.

‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ is nu niet bepaald van toepassing op instanties als jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, die een heel juridisch apparaat achter zich hebben om hun pedagogische gelijk door te drukken als de cliënt niet meewerkt. Een ondertoezichtstelling die niet nodig is kan zeer vernederend zijn en een geëscaleerd conflict met de hulpverleners dat ontaard in een uithuisplaatsing is een nachtmerrie voor normale ouders die van hun kind houden. De machtsverhouding in de rechtszaal is altijd ongelijk, omdat de hulpverlenende instanties, die tegelijk ook de beschuldigende instanties zijn met hun vermoedens van ‘ontwikkelingsbedreiging voor het kind’ niet aan waarheidsvinding doen en eigenlijk al op basis van hun functie geacht worden juiste inschattingen te maken van gezinssituaties. Iets waar het in ontelbaar veel casussen juist aan geschort heeft, omdat de professionaliteit vaak te wensen overlaat om redenen van jeugdigheid, te laag opleidingsniveau, te snel in het diepe worden gegooid met te zware casussen, etc en daarbij het imago van jeugdzorg dat boven alles beschermd moet worden, zodat er nooit fouten toegegeven worden, waardoor de kans op escalatie in veel gezinnen alleen maar groter wordt en het kind de dupe wordt van misverstanden of machtstrijd tussen ouders en jeugdzorg.

Mishandelingsexpert

De verontwaardiging die mensen als Youp van ’t Hek voelen wanneer ze lezen dat tien instanties erbij stonden en ernaar keken, geeft in het huidige klimaat het paranoïde effect van nog meer campagnes, om ‘er nog eerder bij te zijn’, zodat gezinsdrama’s kunnen worden voorkomen. Daarvoor hebben ze naast docenten nu ook al zwemcoaches ingeschakeld, de meteropnemer, de Ouder en Kindadviseur, de tandarts, de mensen van de Spoed Eisende Hulp (waar in één casus drie verschillende dokters ‘onopvallend’ tussen de benen van een meisje gluurden om te zien of ze misbruikt was, terwijl de ouders met hun kind voor heel iets anders naar het ziekenhuis kwamen) en er staan nog veel meer beroepen op de wachtlijst om ook opgeleid te gaan worden tot ‘mishandelingexpert’ met een cursus van een paar dagdelen. Er zijn zelfs van die cursussen te koop bij de Hema, maar het kan ook lekker gemakkelijk online, thuis vanachter de pc, als mensen eens even iets anders willen dan twitteren of gamen. Voor de handelaren in kindermishandeling zijn breed uitgemeten gezinsdrama’s goud waard, omdat hun signaleringsziekte zich als een ebola-virus kan verspreiden iedere keer dat de meute wordt opgeschrikt door zo’n afschuwelijk verhaal.

Tien instanties die zich met het gezin bemoeiden en nog werd er niet ingegrepen. Betekent dit dan dat er bij al die instanties helemaal niemand de cursus vroeg-signalering had gevolgd (of desnoods de cursus laat-signalering)? Was er dan helemaal niemand die vreemd gedrag bij het meisje had opgemerkt, als ‘een duidelijk teken dat er méér aan de hand was’? Wat vreemd nu toch, want van al die mensen die voor het karretje worden gespannen van de mishandelingslobby, komen de meldingen binnen bij diezelfde instanties die in deze casus (en vele anderen) helemaal niet ingrepen! Het probleem is al jaren niet dat er te weinig gesignaleerd wordt, maar dat er door de arrogantie of desinteresse van de hulpverleners niets wordt gedaan met de meldingen die wel zijn binnengekomen.

Een van de redenen voor het laten liggen van waarschuwingssignalen uit de omgeving was van technische aard, dat de adviesvragen van bezorgde personen die het AMK consulteerden over een gezin, niet werden opgeslagen als ‘melding’ zodat ze niet werden opgeteld bij het totaal van de zorgelijke signalen over een gezin. Dat gaan ze nu bij elkaar brengen en dat zal leiden tot een beter overzicht (konden ze tien jaar terug nog niet verzinnen). Maar een echte oplossing is het natuurlijk niet. De al eerder genoemde arrogantie en betweterigheid is het echte probleem. Hulpverleners weten het gewoon altijd beter, want als de familie van het onder toezicht gestelde gezin het gevaar zo goed in kan schatten, waarom lopen ze dan eigenlijk bij jeugdzorg? Aan de ene kant laten gezinsvoogden zich ‘inzuigen’ in een situatie en aan de andere kant willen ze toch autoriteit uitstralen en dat resulteert vaak in het hard ingrijpen daar waar het niet nodig is, of waar het humaner zou kunnen en daarnaast een wegwuiven van concrete aanwijzingen voor gevaar in situaties die echt dreigen te ontsporen.

Tien hulpverlenende instanties op één gezin lijkt misschien veel, maar een decennium terug was twintig hulpverleners op één gezin ook niet ongewoon, waarbij er vaak heel ‘belangrijke’ taken werden uitgevoerd, zoals ‘moeder helpen brood smeren voor de kinderen, ’s ochtends voordat ze naar school gaan’. Je denkt als je het leest, dat dit soort krantenberichten door een grappenmaker zijn geschreven, maar het gaat om daadwerkelijke situaties en echt belastinggeld. Maar het aantal hulpverleners in een gezin is volgens mij niet de kwestie, want we kennen allemaal de verhalen van mensen die in elkaar geslagen worden door drie stuks straattuig, terwijl er veertig mensen omheen staan die niets durven te doen. Hulpverleners zijn niet anders, want er wordt ze van bovenaf aangeleerd om nooit persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen, maar zich altijd te verschuilen achter de beslissingen die ‘als team genomen worden’, of anders achter de jurist van het Bureau waar ze voor werken. Een teambeslissing wordt in onze samenleving vaak opgevat als een gewogen beslissing, waar alle inzichten bij elkaar komen en er een meerwaarde ontstaat, maar het kan ook een laf gemiddelde zijn als er niemand hoofdelijk aansprakelijk is en niet expertise en kwaliteit de doorslag geven, maar een consensus over datgene ‘wat we nog niet geprobeerd hebben’. Zijn we nog wat vergeten, of is de casus al hopeloos?  

Sven Snijer

zondag 25 januari 2015

Zelfrealisatie is de boodschap


De discussie over de integratie van de islam in de westerse samenleving roept onwillekeurig vragen op over de houdbaarheid van openbaringsreligies in het algemeen. Het feit dat het jodendom en het christendom beter in ons cultuurmodel passen dan een religie als de islam, die geen geschiedenis kent van de ontmythologiserende werking van de Rede, neemt niet weg dat ook de wortels van deze twee religies terug gaan tot een tijd dat de samenleving volgens geheel andere regels fungeerde dan nu. De werking van religie in het algemeen is problematisch te noemen in een kennismaatschappij, als niet de spirituele kern de boventoon voert, maar de tradities van het geloof en geloofswaarheden die ontstonden in een tijd dat ze niet betwist konden worden, omdat men daar vroeger de middelen niet toe had.


Een voorbeeld van wanneer een religie meer een archetypische waarheid vertegenwoordigt dan een letterlijke, is het verhaal in de bijbel van de uittocht van Mozes en zijn volk uit Egypte. De laatste twintig jaar is er intensief archeologisch onderzoek gedaan in het Midden-Oosten op de plaatsen waar Mozes met zijn volk voorbij getrokken zou zijn, maar er zijn nergens sporen gevonden van een omvangrijk volk dat daar jaren (veertig jaar zegt de bijbel) heeft rondgezworven. Het is om diverse redenen een ongeloofwaardig verhaal als het wetenschappelijk geanalyseerd wordt, maar dat neemt niet weg dat de symboliek van het verhaal, de opstand van de profeet Mozes tegen de tirannieke farao, gelovigen eeuwenlang heeft geïnspireerd. De 'uittocht uit Egypte’ is een begrip geworden, dat zowel een ontsnapping aan onderdrukking vertegenwoordigt, als een belofte op een beter leven in het ‘Beloofde land’. De magische manier waarop dat beloofde land in het bezit komt van het joodse volk is bijna nog spectaculairder dan de splitsing van de Rode Zee waar Mozes en zijn gevolg doorheen trokken, want na zeven maal met koperen blaasinstrumenten rond de muren van Jericho te zijn getrokken, stortten de muren van die stad vanzelf in en kon deze gemakkelijk worden ingenomen. Uit modern onderzoek is gebleken dat ten tijde van Mozes’leven, het Beloofde land een Egyptische provincie was, een veroverd gebied met Egyptische garnizoenssteden om het te controleren, waardoor Mozes niet in onbekend gebied terecht kwam met zijn aanhang, maar gewoon in een noordelijk deel van het Egyptische wereldrijk. De opstand tegen de Farao heeft nooit plaatsgevonden, omdat Mozes zelf hoogstwaarschijnlijk van Egyptische bloede was, een lid van het koninklijk huis en ook niet uit een mandje is gehaald dat op de Nijl dreef. Dat verhaal is van het Gilgamesj-epos overgenomen door de bijbelschrijvers, net als veel andere verhalen die ouder zijn dan de joodse geschiedenis.  

Mozes een Egyptische prins

Het heeft natuurlijk nogal wat consequenties voor de gemiddelde gelovige die meent dat zijn heilige bijbel een geschiedenisboek is, in plaats van een gemythologiseerd verslag van de spirituele odyssee van de Egyptische prins Mozes die op een dag besloot een spirituele leer te onderwijzen buiten het centrum van het Egyptische wereldrijk, met haar talloze tempels en heiligdommen. Het is opmerkelijk dat de god van Mozes ‘onzichtbaar’ was en niet zoals in die tijd gebruikelijk, vereeuwigd in stenen beelden en afbeeldingen op tempelmuren. Zo’n honderd jaar terug was er een Amerikaanse mysticus, Dr. Spencer Lewis van de rozenkruizersorde AMORC, die beweerde dat Mozes een adept was van een Egyptische geheime leer, die was opgestart door farao Achnaton. Deze ambitieuze hervormingsgezinde farao maakte vrij plotseling een einde aan het veelgodendom van de Egyptenaren en stelde daarvoor in de plaats één god, Aton, die gesymboliseerd werd door de zonneschijf. Dit gaf veel verzet bij de Egyptische priesterklasse, die eeuwenlang gewend was om verschillende goden te aanbidden, onder de heerschappij van de oppergod Amon-Ra. Achnaton bouwde voor zijn nieuwe religie een hele stad met nieuwe tempels in El Amarna, maar kort na zijn (vermoedelijk) gewelddadige dood, werden alle hervormingen van zijn bewind weer ongedaan gemaakt, door de priesters en bestuurders van de vroegere heersende klasse die zijn revolutionaire ideeën nooit hadden kunnen accepteren. Het verloop van de geschiedenis van de leer van Achnaton volgens Dr. Spencer Lewis, was dat deze ondergronds ging en dat Mozes in deze leer werd ingewijd. Hij zou met zijn vertrek uit Egypte met een groep getrouwen, de bedoeling hebben gehad deze leer opnieuw vorm te geven, onder andere omstandigheden en op een andere plaats. Tot nu toe is er weinig bewijs gevonden dat deze theorie tegenspreekt en het is heel goed mogelijk dat de oorsprong van het joodse geloof Egyptisch is.

Het verbod op het maken van gesneden beelden dat door Mozes aan zijn volk werd  uitgevaardigd, hield nauw verband met het verbod op afgodendienst en was een noodzakelijke verordening voor Mozes om zijn aanhangers eensgezind bij elkaar houden. Het was in die tijd heel normaal om god -of deelaspecten van de goddelijke macht uit te beelden en af te beelden en de concurrentie van de religies van de omringende volken was permanent een bedreiging voor het nieuwe geloof. In de bijbel lezen we over voortdurend verzet tegen het monotheïstische ideaal, wat volgens de bijbelschrijvers voor het ‘uitverkoren volk’ steeds weer vervelende consequenties had. Iedere keer dat het volk ongehoorzaam was en vreemde goden aanbad naast de enige god, onttrok god zijn steun aan ‘zijn volk’ en vielen ze ten prooi aan de militaire macht van de naburige volken. Waren ze eensgezind en hielden ze zich aan het verbond dat god met hen gesloten had, dan leefden ze in voorspoed en vrede en kon de dreiging van Filistijnen of andere invallers worden afgewend met succesvolle militaire campagnes. Er is in de meeste verhalen een relatieve scheiding tussen het wereldlijk gezag en het spirituele gezag, omdat de koningen van het joodse volk wel profeten raadpleegden, of door hen tot de orde werden geroepen wanneer hun bestuur faalde, maar de latere profeten hadden geen concrete macht. Bij Mozes waren het spirituele gezag en de bestuurlijke macht nog ongedeeld, maar vanaf de tijd van de eerste koning Saul vindt er een splitsing plaats.


In de opeenvolging van de bijbelverhalen, richting het einde van de Tenach (Oude Testament) is er een evolutie van het godsbeeld waar te nemen. Is de joodse god JHWH in eerste instantie nog een stammengod, die moet concurreren met de goden van de omringende volkeren waar ze zo nu en dan mee in conflict raken, geleidelijk aan wordt het karakter van deze god universeler en heeft hij macht over alle volkeren en over hemel en aarde. Uit bijbelwetenschapelijk onderzoek is gebleken dat veel van de bijbelse verhalen verschillende malen zijn herschreven en bewerkt, in verschillende periodes. Het is daarom geen heilsgeschiedenis die synchroon loopt met de feitelijke geschiedenis, maar een ‘beleefde continuïteit’ doorspekt met indrukwekkende verhalen die de verbeelding van de lezers moesten prikkelen en de geloofsthema’s verduidelijken. Er zijn nooit driehonderd mensen geweest die een gouden kalf hebben aanbeden, die daarvoor door de in toorn ontstoken Mozes ter dood werden gebracht, want zoveel goud was er bij een nomadenvolk niet beschikbaar en bovendien hadden ze geen ovens die zo heet gestookt konden worden. Het straffen van de mensen die een gouden kalf aanbaden, symboliseert de verwerping van de vruchtbaarheidscultus uit de oudheid, een moeder-of natuur-religie, om plaats te maken voor de vader-religie van Mozes. De ‘jaloerse’ god die niemand naast zich duldt, is een verpersoonlijking van het spirituele eenheidsprincipe, dat aan de veelheid vooraf gaat. Hij heeft in de verte gelijkenis met het hindoeïstische Brahman, het vormloze goddelijke, dat voorbij de ‘drie werelden’ (prakrti, de schepping) bestaat. Het mannelijke godsaspect staat voor standvastigheid, onthechting en morele verheffing, terwijl het vrouwelijk aspect zich kenmerkt door vruchtbaarheid, verscheidenheid en voorspoed.   

Dualiteit van het leven

De sterk gereguleerde religie van Mozes wist zich staande te houden in een omgeving waar de oude tradities nog lang bleven voortbestaan, maar op verschillende momenten werden er invloeden overgenomen. Zo was koning Salomo vanwege zijn grote hoeveelheid vrouwen en bijvrouwen, waarvan er velen uit verre landen afkomstig waren met andere geloven, helemaal niet afkerig van de vreemde goden die ze met zich meebrachten en hij aanbad ze tezamen met zijn eigen god. Hoewel dit in de bijbel afgekeurd wordt, zijn dit soort ontwikkelingen met regelmaat terugkerend in de verhalen. Een historisch feit is ook dat het joodse volk veel invloeden heeft meegenomen uit Babylon, als gevolg van de Babylonische ballingschap, maar over het geheel genomen is de oorspronkelijke bedoeling van Mozes aardig overeind gebleven. Zijn god, die niet mocht worden afgebeeld, vormt nog steeds het hart van het joodse geloof en het heeft ook Mohammed beïnvloed, die voor zijn eigen verkondiging aanving, een grote bewondering had voor de joden en hun religie. Het niet mogen afbeelden van god, dat een religieus gebod is in het joodse en islamitische geloof, is in feite een spiritueel principe dat mensen aanspoort om de eenheid van god niet uit het oog te verliezen in een wereld van veelvormigheid. De dualiteit van het leven kan op twee manieren worden beantwoord: door nergens te zeker van te willen zijn, in de wetenschap dat alles te zijner tijd zal omslaan in zijn tegendeel, in het eeuwige ritme van de natuur en de andere benadering is het vasthouden aan de onveranderlijke eenheid die zich schuil houdt achter de wereld van de dualiteit (die feitelijk niets anders is dan de ondergrond die het eeuwige ritme van de zichtbare wereld mogelijk maakt). Een te stringent vasthouden aan het gebod dat god niet afgebeeld mag worden, leidt vaak tot de verwarring dat alles wat wel afgebeeld wordt geen onderdeel uitmaakt van de goddelijke realiteit, wat een ontheiliging van de stoffelijke wereld betekent en paradoxaal genoeg ook een te zware accentuering van die stoffelijke werkelijkheid, alsof een eeuwige en alomtegenwoordige god zich in zijn onuitsprekelijke schoonheid en eindeloos bewustzijn, zou kunnen ergeren aan menselijke scheppingen als beelden of beeltenissen. De voorschriften zijn er voor de mens en dienen als een herinnering aan een primordiale werkelijkheid, om teveel verblinding door aardse zaken te vermijden en zijn geest gericht te houden op het onverbrekelijke verbond tussen god en mens, dat niet een historische afspraak is tussen een stammengod en zijn profeet, maar een gelijkenis tussen god en zijn schepsels, als innerlijke overeenkomst in het zielenwezen.

Eenheid in verscheidenheid

In een tijd waarin mensen gewend zijn alleen adviezen op te volgen als ze er met hun  eigen intelligentie mee kunnen instemmen, omdat ze er het nut van begrijpen, lijken religieuze geboden wat achterhaald, helemaal als ze op collectieve schaal worden gepropageerd. In het hindoeïsme en het boeddhisme zijn persoonlijke spirituele ontwikkeling en religie als groepsbeleving altijd beter op elkaar afgestemd geweest dan in de drie westerse openbaringsreligies. Dat komt omdat in de Oosterse spiritualiteit het principe van ‘Eenheid in verscheidenheid’ gehanteerd werd, waarbij de beeltenis van een god niet gelijk werd gesteld aan een onafhankelijk bestaan van die god. Eerder was het één van de verschijningsvormen van het goddelijk wezen en anders dan het zich eenzijdig richten op het verkrijgen van gunsten van die god, werd al snel in deze religies begrepen dat de goden (of boddhissatva's) hooguit hulpmiddelen kunnen zijn bij de persoonlijke spirituele ontwikkeling en geen blijvend houvast. Al vroeg in de Oepanishadische traditie werd gezocht naar het eerste principe, datgene waar alles uit vandaan kwam, inclusief de goden die men beschouwde als ondergeschikt aan een onkenbaar mysterieus Opperwezen. De Vedische zieners ontdekten dat het centrum van dat opperwezen niet gezocht moest worden aan de sterrenhemel of in de natuurkrachten, maar in het hart van de spirituele zoeker (‘de holte van het hart’), 'kleiner dan het allerkleinste', dat eerder een toegangspoort was dan een object. Het hart werd gezien als doorgang naar het goddelijk Mysterie en men besefte dat weinigen hiertoe geroepen waren, omdat de zuivering van het hart, de onthechting en het onderscheidingsvermogen die nodig waren om tot die bovenzinnelijke staat te geraken, een zeldzaam goed waren onder de mensen. Daarom lieten ze het volksgeloof met zijn talloze goden en halfgoden gewoon bestaan, om de kern van de religie (‘Gij zijt dat’ en ‘Atman is Braman’ –Ziel is God) alleen aan enkelingen door te geven die een bijzondere spirituele begaafdheid hadden.

Om deze reden zijn er in India nooit oorlogen geweest om het ‘ware geloof’ te verspreiden of te verdedigen, want men besefte dat het ware geloof alleen van binnenuit gerealiseerd kon worden en dat god zichzelf alleen kenbaar maakt aan diegenen die voldoen aan de spirituele kwaliteitseisen en niet aan de sentimenten van blind geloof, al had het geloof in de meeste gevallen wel een belangrijke aanvullende functie op het spirituele pad. Een soefi uit de islamitische traditie die goed het verschil begreep tussen de eenheid van het geloof en de verschillende manifestaties van het opperwezen, was Shabistari. In één van zijn gedichten geeft hij de essentie weer van het spirituele pad en laat hij zien dat het niet gaat om de uiterlijk vorm van het geloof, maar om de innerlijke gesteldheid van de mens.

‘Als de moslim wist wat een idool was
Dan zou hij weten dat er religie is in afgodendienst
Als de afgodendienaar wist wat religie was
Dan zou hij weten waar hij fout zat’  

De bedoeling van het gedicht is aan te geven dat een afgod geheiligd kan worden door het als een afspiegeling te zien van het ware goddelijke wezen, terwijl god in zijn oneindigheid nooit vastgelegd kan worden in één soort verschijning. Het is van belang voor de mens om oorzaak en gevolg niet door elkaar te halen, maar tegelijkertijd is er in de soefi-traditie vaak sprake van een welwillende houding naar de verschillende manieren waarop mensen god zoeken, ook als dat niet in overeenstemming is met de orthodoxe islam. Het zoeken zelf en de oprechtheid waarmee dat gebeurt, staan voor de soefi’s hoger dan de vorm van de religie, ook al moeten ze als verantwoording voor hun spirituele ruimdenkendheid de islam uiteindelijk hoger stellen dan de andere religies. Zo verklaart Attar in één verhaal dat een jood, die zijn eigen geloof oprecht beoefent, beter is dan een moslim die zijn religie verwaarloost, terwijl in een ander verhaal een joodse hoofdpersoon uiteindelijk toch moslim wordt. Ook de universeel denkende Mevlana Roemi schrijft dat Allah uiteindelijk de 'christelijke kloosters zal veranderen in een moskee', maar dat lijkt eerder een uiting van het in balans brengen van zijn mystieke visie met die van de orthodoxie, dan een persoonlijke geloofsovertuiging.

Carl Gustav Jung

De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung heeft religies wel eens omschreven als ‘therapeutische symboolsystemen’ om aan te geven dat religies dienen voor de spirituele ontwikkeling van de mens en dat mensen zich in hun geestelijke ontwikkeling niet ondergeschikt hoeven te maken aan een religie. In zijn beroemde leer van de archetypen heeft hij duidelijk gemaakt dat alle volkeren ter wereld zich bedienen van manieren om god uit te beelden, maar dat die uitingen niet altijd als zodanig begrepen worden. De uitingen van de archetypische krachten, in dromen, visioenen, alchemistische symbolen, sprookjes en grote literaire werken, waren voor hem nadrukkelijk verschijningsvormen vanuit een geestelijke wereld -waar de mens volgens hem via het onbewuste toegang tot had- en niet de archetypen zelf, die altijd verborgen bleven. En zelfs achter de wereld van de archetypen, moest een nog hogere werkelijkheid gezocht worden, een Collectief Onbewuste (Wereldziel -  ‘Animus Mundi’) dat weer in verbinding stond met een nog grotere, onbekende goddelijke realiteit. 

Het werk van Jung heeft duidelijk gemaakt dat veel symbolen die verschillende religies als uniek beschouwen voor de eigen leer, overal elders ook voorkomen en dat ze zich op de meest onverwachte manieren  manifesteren, zelfs in de dromen van mensen die verklaren ‘nergens in te geloven’. Het innerlijk wezen van de mens kent vaak een grotere wijsheid dan de aangeleerde geloofswaarheden of juist de verworpen kennis, waar de mens dacht aan voorbij te zijn gegaan. Religie moet de middelen voor geestelijke ontplooiing in handen van de mens zelf leggen en niet langer de vruchten van de spirituele inspanningen van anderen -vaak uit een ver verleden-  als een geloofswaarheid blijven doorgeven -om tegen de realiteit van de moderne wereld in- aan te blijven vasthouden uit vrees dat er anders iets ‘heiligs’ verloren zal gaan. Uiteindelijk zijn de ervaringen van die grote zielen waaraan religieuze mensen zich spiegelen, niets anders dan voorbeelden van spirituele ontplooiing en zelfrealisatie door mensen die persoonlijk een geestelijke ontwikkelingsweg hebben afgelegd, die ‘het innerlijk hebben gemaakt als het uiterlijk en het uiterlijk als het innerlijk’ om het ‘Koninkrijk der Hemelen’ te vinden, wat wil zeggen de eenheid in de verscheidenheid.

Sven Snijer

vrijdag 23 januari 2015

‘Mijn vrijheid, jouw vrijheid’… of de vrijheid?

Het was tijdens de uitzending van het discussieprogramma bij de NPO gisteravond naar aanleiding van de aanslag in Parijs van twee weken geleden weer een feest van verwarring, omdat de context van de discussie zich steeds verplaatste van het internationale podium naar het nationale debat over de islam en weer terug. Tijdens het hele debat bleef het onduidelijk of het nu ging over Marokkanen in een achterstandspositie, moslims in Nederland, moslims wereldwijd, de islam in het algemeen of de islam in ieders persoonlijke of groepsgewijze interpretatie.

Wat de twee kampen in de discussie verdeeld houdt en waarom er van toenadering haast geen sprake kan zijn, is dat de islamcritici voornamelijk denken vanuit een kader van het internationale islamitisch fundamentalisme en de moslims in Nederland en hun autochtone pleitbezorgers vanuit het Nederlanderschap van de hier woonachtige moslims zodat in de discussie mensen eigenlijk niet over hetzelfde spreken. Veel moslims vragen zich af waarom ze in verband worden gebracht met terreur van mensen in een ander land, omdat die dat deden uit naam van de islam, terwijl ze zelf een manier van geloofsbeleving hebben die geweld afwijst. Ze voelen zich niet geroepen om voor anderen te spreken die volgens veel in Nederland wonende moslims ook niet de ‘echte’ islam vertegenwoordigen. De andere partij is echter van mening dat er niet een aparte Nederlandse islam bestaat, maar een wereldwijde religie die vaak in het nieuws komt met terreurdaden van Europa tot de Verenigde Staten en van Afrika tot India. 

De polder-discussie

De discussie over deze kwestie verloopt vaak volgens een vast patroon; ‘Hoe gaan wij in Nederland om met wat er wereldwijd gebeurt?’ Het perspectief van de Nederlandse situatie is en blijft het uitgangspunt voor de standpuntbepaling en wie de discussie wil verbreden naar internationale ontwikkelingen, die ook los van ons nationale debat zichzelf continueren, wordt na verloop van tijd teruggefloten door de hier-en-nu mentaliteit. Wat kunnen de Nederlanders doen om te voorkomen dat bevolkingsgroepen in dit land teveel tegenover elkaar komen te staan?  In dat verband klinkt al gauw de roep om zelfcensuur en dat we ervoor moeten oppassen om niet te beledigen-om-te-beledigen en niet nodeloos te kwetsen enkel en alleen omdat het kan. De behoefte aan saamhorigheid onder de Nederlanders is zo sterk dat ze best bereid zijn om een deel van de islamdiscussie niet te voeren, als dat kan leiden tot een klimaat van de-escalatie. Het gevolg hiervan is echter een denkfout over wat vrijheid van meningsuiting betekent en hoe deze het best gewaarborgd kan worden.

Ik ben het met de zelf-censureerders eens dat de kritiek op de islam en op moslims in Nederland vrij ongenuanceerd en bot gevoerd is door verschillende bekende figuren in de media en het leidt geen twijfel dat iemand als Wilders regelmatig opzettelijk heeft geprovoceerd voor electoraal gewin, maar dat is aan de andere kant ook een gevolg van het feit dat jarenlang het debat helemaal niet gevoerd mocht worden omdat tot voor kort alles ‘discriminatie’ was en de Tweede Wereldoorlog meteen van stal werd gehaald in linkse kringen als iemand ook maar een woord van kritiek had op een andere cultuur of geloof (waarvan de aanhangers uit de arbeidersklasse vooral op linkse partijen stemden). We zijn in de kritiek en vooral de manier waarop die kritiek wordt geuit af en toe flink doorgeslagen, maar dan bedoel ik meer het gebrek aan onderbouwing aan de kant van de critici, dan de mate van belediging. Voor mij speelt het aspect van beledigd zijn, in veel mindere mate wanneer degene die zou hebben beledigd met valide kennis komt in zijn argumentatie en meer als het daaraan ontbreekt. De ‘kopvoddentaks’ van Wilders had helemaal niets redelijks en niemand werd er wijzer van en daarom was het nodeloos kwetsend en puur effectbejag. De vraag of de islam oproept tot geweld daarentegen vindt ik een heel legitieme vraag en daar wil ik niet gemakkelijk vanaf zijn met het excuus van veel moslims dat het terrorisme niet ‘hun islam’ is. Ik wil dat de vraag wordt beantwoord op historische, theologische en wetenschappelijke gronden.

Dubbele standaard

Waarom zou een ‘heilig boek’ van veertienhonderd jaar terug, wel iedere dag een leidraad zijn in het leven van vrome moslims, maar mogen we het niet hebben over de haatzaaiende teksten en oproepen tot geweld tegen niet-moslims die er met regelmaat in voorkomen? En waarom mogen we niet spreken over het spoor van verwoesting dat de islam trok door alle door hen veroverde gebieden in de eerste eeuwen na de dood van Mohammed? Moslims die aanslagen plegen, doen dit vanuit een idee van superieur geloof, dat zich niet hoeft te verantwoorden voor ‘goddeloze’ westerse uitvindingen als democratie en vrijheid van meningsuiting. Dit wordt ondersteund door het gegeven dat in geen enkel islamitisch land ter wereld, kritiek op het geloof of de profeet mogelijk is. Wat betekent het eigenlijk, moslim te zijn in een westerse samenleving waar de scheiding van kerk en staat de oppermacht van de religie heeft gebroken en haar een plaats heeft toegekend in de gedoogzone? 

Durven moslims toe te geven dat het juist die scheiding tussen kerk en staat is die ze hun vrijheid geeft en ontplooiingsmogelijkheden? Of moeten wij als niet-moslims, omdat we bang zijn voor aanslagen van mensen die de onfeilbaarheid van hun religie hoger stellen dan mensenrechten, met Peter R. de Vries opeens van mening zijn dat  “..er niet veel rechtvaardiging is voor het ridiculiseren van een godsdienst”? Waarom waren we dan nooit zo zuinig met onze bespotting als het om niet-islamitische overtuigingen ging? Waar was de ‘compassie’ met de gelovige medemens toen de film “Life of Brian” uitkwam, waarin de heiligste persoon voor de christenen flink voor gek werd gezet, waarvan één van de makers (John Cleese) nog recentelijk heeft verklaard dat zo’n film in onze tijd over de islam niet mogelijk zou zijn vanwege het gevaar voor de veiligheid. Het is opvallend dat deze prudente houding pas tevoorschijn komt als het een religie betreft die keihard terugslaat.

Vroeger vond links religie bedrog om gewone man dom te houden. Nu hebben ze er heel veel respect voor en noemen ze het "diepste overtuiging" (Tweet15 jan 2015)
                                                                             Eddy Terstall, filmregisseur

Journalist Bart Schut gaf als illustratie van de onaantastbaarheid van de islamitische geloofswaarheden buiten het vrije westen, een concreet en actueel voorbeeld van de blogger in Saoedi-Arabië die lijfstraffen krijgt omdat hij gematigde kritiek uitoefende op zijn geloof. En Saoedi-Arabië is niet zomaar een islamitisch land, maar het hart van de religie omdat daar de heilige steden zijn en alle moslims daarheen gaan om de pelgrimstocht te volbrengen. Het is daarom in mijn ogen een beetje te simpel (maar wel echt Nederlands) van Farid Azarkan van het Samenwerkingsverband Nederlandse Marokkanen om zich uit het internationale perspectief terug te trekken en te zeggen dat hij niet in Casablanca of Kuala Lumpur woont, maar in Culemborg. Dat is typisch een uiting van het hiaat dat in bijna al deze discussies zichtbaar wordt, het verschil tussen de moderne moslim die hier geïntegreerd is en de geloofswaarheid die zijn spil heeft in een ander land, in een ander werelddeel van waaruit er een sterke invloed uitgaat naar moslims die in het westen leven. Bijvoorbeeld via door Saoedi-Arabië gefinancierde moskeeën, waarin de nadruk bij de geloofsverkondiging niet ligt op mensenrechten of dialoog met andersdenkenden of door de salafistische en wahabistische internet-islam die zich ook van grenzen weinig aantrekt. Of mensen het nu onder ogen willen zien of niet, er is een expansie gaande van extremistisch gedachtegoed vanuit het Midden Oosten naar  het Westen, waarbij het van belang is om te bedenken dat de boodschap in de landen van herkomst helemaal niet als extreem wordt beleefd. Voor het stelen van een appel wordt in Mekka je hand afgehakt. Dat vinden ze daar helemaal niet vreemd, want het is gebaseerd op religieuze wetgeving en dus islamitisch.

Religieuze legitimatie van geweld

Wat storend is in de discussie over de islam, is dat de gekwetste gevoelens van moslims als een op zichzelf staande grootheid worden gepresenteerd, terwijl gekwetstheid altijd afhankelijk is van verschillende factoren, niet in de laatste plaats die van de hoeveelheid incassering -en relativeringsvermogen aan de kant van de gekwetsten. Het is te makkelijk om te zeggen dat een geloof wordt ‘gekaapt’ door extremisten, want dat kan alleen hard gemaakt worden als het heilige boek louter en alleen zou bestaan uit oproepen tot vreedzame co-existentie met andere geloven en het toekeren van de linker wang als men op de rechterwang geslagen is. In alle eerlijkheid, de koran is geen recept voor een oecumenische geloofsbeleving, maar een afrekening met vijanden van het ware geloof. Ze dienen ofwel bekeerd te worden of een speciale belasting te betalen als tweederangs burgers als ze geen moslim wensen te worden of ze worden in de strijd gedood. De islam kent strijd vanaf haar ontstaan en het is duidelijk uit verschillende teksten dat het geweld uit naam van het geloof niet alleen defensief wordt gelegitimeerd, maar ook offensief, omdat in de periode van na de Hijra (uitwijking van de moslims uit Mekka richting Medina) ze niet langer in een underdogpositie waren, maar in de openbaringen evengoed werd opgeroepen tot militaire inspanningen, ditmaal om Mekka te veroveren (zodat er geen afgodendienst meer bleef bestaan naast Allah). Het is evident dat geweld uit naam van het geloof gelegitimeerd wordt in het heilige boek van de moslims en dat was in de tijd waarin het ontstond niet eens zo vreemd. Ook christelijke kruisvaarders dachten een paar eeuwen later dat ze god aan hun zijde hadden tijdens de kruistochten en dat ze om die reden mochten moorden en plunderen zonder gewetensbezwaar.

Wat de discussie over de islam in ons land scheef trekt is het idee dat het beledigen altijd nodeloos is en vaak geen duidelijk doel zou dienen. En dat is wat de islam betreft onjuist. De gekwetstheid wordt regelmatig aangevoerd om het inhoudelijk debat over de historische mens Mohammed en zijn concrete handelen uit de weg te gaan, omdat moslims het pijnlijk vinden om op grond van wetenschappelijke feiten te ontdekken dat Mohammed misschien helemaal niet ‘de edelste mens is die ooit heeft bestaan’. Het heeft een heel nuttige en noodzakelijke reden om de heiligheid en de onfeilbaarheid van de profeet van de islam te betwijfelen en zijn openbaringen niet te zien als goddelijk en eeuwig, maar ze in verband te brengen met zijn persoonlijke levensgeschiedenis, in veel gevallen als een reactie op de tegenstand die hij ondervond bij het verspreiden van zijn boodschap. 

Ik twijfel niet aan de mogelijkheid dat de intensieve geestelijke inspanningen die Mohammed zich getrooste voorafgaande aan zijn profeetschap kan hebben geleid tot een verhoogde staat van bewustzijn, maar het is nog wat anders om zijn openbaringen voor honderd procent als goddelijke waarheid te beschouwen die voor altijd geldig blijft. Daarvoor klinken er in de openbaringen teveel andere belangen door dan een zuiver religieuze of spirituele bedoeling. Mohammed was vanaf de uitwijking niet langer alleen profeet, maar kreeg wereldse taken en verantwoordelijkheden en hierdoor raakte de geïnspireerde boodschap verstrikt in de tijd en omstandigheden waarin hij leefde. Het gewelddadig conflict met zijn tegenstanders werd een onderdeel van de geloofsverkondiging en omdat er nooit een kader is gegeven waarbinnen of voor hoelang het geweld gelegitimeerd was, werd het een veralgemeniseerde ‘strijd tegen de ongelovigen’ die in principe eeuwig kan voortduren. 

Twee vragen

De vraag bij de gekwetstheid van moslims zou uitgesplitst moeten worden in twee vragen: in hoeverre worden mensen nodeloos in hun religieuze overtuiging gekwetst door kwaadwillende lieden die dit opzettelijk, met veel genoegen en zonder nuttige reden doen? En in hoeverre houdt gekwetstheid verband met een religieus taboe, waarbij de historische stichter van de islam wordt verstopt achter een geïdealiseerd beeld dat de gelovigen in eeuwen hebben gecultiveerd? Eén manier om geweld te verwerpen is dat te doen op grond van humaniteit en mensenrechten en een andere manier is om aan te tonen dat een onfeilbaar geacht persoon niet onfeilbaar was, maar menselijk. Een mens die ook zijn eigen belangen had. Tegenover fundamentalisten is dat steekhoudender, aangezien ze de westerse vrijheid en democratie per definitie niet als maatgevend beschouwen en redelijke argumenten niet eens kunnen aanhoren. Wij laten moslimgelovigen in deze samenleving deelnemen aan alle gemakken en voordelen van een democratische rechtsstaat, maar tegelijkertijd houden we een deur voor ze open naar een sprookjesgeloof omdat we bang zijn om een heilig geacht persoon terug te zetten in zijn historische realiteit, want daar zouden ze wel eens boos over kunnen worden. Ik vindt dat geen teken van respect, maar huichelarij en bovendien is het meten met twee maten. Een straffe geloofskritiek werd de andere levensbeschouwingen in onze cultuur ook nooit bespaard. Het is met name harde kritiek op de christelijke religie geweest, die ons in het westen de zo gewaardeerde vrijheid heeft bezorgd.

Zeep uit de ALDI schappen

‘Gekwetstheid’ is zoals rapper Appa in de uitzending stelde ‘subjectief’, maar hij mistte volledig het punt dat om die reden de vrijheid van meningsuiting ook nooit begrensd mag worden door ‘gekwetste gevoelens’ maar uitsluitend door de wet, die verbiedt dat er wordt opgeroepen tot geweld of discriminatie. We hebben dit bij wet geregeld juist omdat dat deze objectief en voor iedereen geldend is, zodat niet subjectieve gevoelens de geldigheid van valide argumenten onderuit kunnen halen. Veel mensen zijn zoals Andries Knevel van mening dat je de uiterste grens van meningsuiting niet hoeft op te zoeken, omdat dat niet productief is. Toch realiseert iedereen zich dat het recht op kwetsen wel moet blijven bestaan, om niet steeds meer terrein te verliezen aan gekwetste gevoelens. Vandaag is men hier beledigd over en morgen weer over iets anders. 

In Duitsland is pas geleden de zeep uit de ALDI-schapen gehaald, omdat er een plaatje van een moskee op stond, waar moslims zich kennelijk onoverkomelijk beledigd en gekwetst door voelden. Die kant moeten we niet op, want wie wordt het volgende slachtoffer van de gekwetstheid? Nu is het de ALDI die bang is voor aanslagen, de cartoonisten waren het al en morgen kan het ieder van ons zijn. Misschien moeten mensen in deze samenleving hun vrijheid wat duidelijker omschrijven en niet alles versmallen tot het wat jankerige recht ‘om te zeggen wat je vindt’ omdat dit de eigen subjectieve mening teveel benadrukt en karikaturiseert tot een speeltje van ‘jouw’ of van ‘mij’. De grotere betekenis van vrijheid van meningsuiting is het recht om te onderzoeken, te ontmaskeren, tegen te spreken en te confronteren en niets heiliger te maken dan een objectief onderzoek naar feiten en gebeurtenissen. Daarmee zijn we op termijn allemaal gediend en hoeven we niet bij elk gesprek de ‘emotie-meter’ op tafel te zetten om te zien of er dingen gezegd worden die sommige partijen onwelgevallig zijn, zodat we maar stoppen met verder nadenken.

Sven Snijer

dinsdag 20 januari 2015

De mythe van een onfeilbare profeet

Het echte probleem van de hedendaagse islam is niet het fanatisme of de geweldpleging van een groep extremistische fundamentalisten die een schaduw werpt op het geloof, maar het mythologische denken van een grote -dus ook gematigde- meerderheid van moslimgelovigen, die niet in het reine kunnen komen met de werkelijke geschiedenis van hun religie en die blijven vasthouden aan een islamitische heilsgeschiedenis waarbij alle historische feiten in het licht van het ‘ware geloof’ betekenis krijgen.

Zelfs onder de meest universeel denkende moslims door de eeuwen heen, de soefi's, met hun mystieke interpretatie van het geloof, is in de moderne tijd  weinig te bemerken van hun ruimdenkendheid. Hun spirituele boodschap vindt over het algemeen weinig aansluiting bij de westerse cultuur, ook niet als ze zijn  gevestigd in de Verenigde Staten of Europa. Het moslim-zijn is zo dominant op de voorgrond tredend, zelfs bij in het westen opererende soefi-broederschappen als de Haqqani Fellowship, dat het op niet-moslims weinig aantrekkingskracht uitoefent en niet uitnodigt tot een nadere kennismaking. Alle geloofswaarheden en mythische verhalen over de profeet krijgen enkel een spiritueel sausje en zijn voor de rest in niets verschillend van orthodox geloof. De culturele brug wordt niet geslagen en het exotische karakter van de soefi-terminologie, symboliek en rituelen werkt eerder vervreemdend dan betoverend.

Soefi orden

Als het waar is wat Idries Shah in de vorige eeuw schreef en wat door verschillende soefi-meesters in het verleden zoals Moienuddin Chisti werd beweerd, dat de soefi’s zich altijd hebben weten aan te passen aan veranderende tijdsomstandigheden en hun spirituele boodschap op maat wisten te snijden naar tijd, plaats en omstandigheden, dan mag ik aannemen dat de meeste soefi-orden die in het westen actief zijn geen echte soefi’s zijn of dat ze een min of meer opgedroogde aftakking zijn geworden van een levende spirituele boom. En waar die boom zelf op dit moment gelokaliseerd moet worden, in een werelddeel (Midden-Oosten) dat de laatste honderd jaar politiek instabiel is, wordt ook steeds minder duidelijk. Met het verbieden van de Mewlevi-orde van wervelende derwishen door Kemal Attaturk in 1925, die van Turkije een geseculariseerde samenleving wilde maken, met een scheiding van kerk en staat, is het soefisme een grote slag toegebracht omdat de Mevlevi’s in meerdere opzichten een centrale rol speelden in het internationale soefisme. Niet alleen zijn de wervelende derwisjen eeuwenlang een uithangbord geweest voor de soefi-leer met hun muziek en dans, hun literatuur, dichtkunst en vooral het open en uitnodigende karakter van hun leerstellingen, maar ze waren eveneens lange tijd een verbindende schakel tussen verschillende soefi-stromingen.

Een echte worteling van de soefi-traditie in het westen zou gepaard moeten gaan met een intellectuele, filosofische en wetenschappelijke ontwikkeling en veel minder een religieus karakter moeten krijgen, omdat religie in Europa al lang niet meer de dominante cultuurfactor is. In de Verenigde Staten voor een deel nog wel, maar dat betreft niet de invloeden die de vooruitgang en de moderniteit een handje helpen. Soefi ’s in het westen zouden geloofwaardig zijn als ze een gelijkenis zouden ontwikkelen met de leer en activiteiten van vrijmetselaars en rozenkruisers en in bredere zin met vrijdenkers, humanisten en burgerrechtenactivisten en niet met orthodox geloof. Het geloof dat in het Midden Oosten alles bepalend is voor het maatschappelijk leven, maar niet in onze westerse cultuur. Ik wantrouw elk volksgeloof dat gebruik maakt van de symboliek van de grote meesters uit het verleden, maar ondertussen de meest bekrompen en bevooroordeelde ideeën uitdraagt in het westen onder het mom van geïnspireerde boodschap. Iemand is niet geïnspireerd omdat hij een tulband op zijn hoofd draagt, maar omdat zijn hersenen tot meer verlichte activiteit in staat zijn en zijn hart meer ruimte biedt aan alle schijnbare tegenstellingen binnen de harmonie van een grotere Eenheid.

Inayat Khan

Om vergissingen te voorkomen met wat ik bedoel met ‘universeel’ moet ik een onderscheid maken tussen de universele boodschap van de soefi-meesters uit het verleden, zoals Roemi, Attar en Ibn Arabi en een hedendaagse spirituele vereniging die zich ‘Universeel Soefisme’ noemt, die ooit werd opgestart door Hazrat Inayat Khan. Roemi, een groot soefi uit de dertiende eeuw, die vanuit zijn islamitische achtergrond een openheid ontwikkelde naar alle geloven en ook naar de ‘afgodendienaren’ (zoroastriërs) die voortkwam uit persoonlijke ervaring met het goddelijk mysterie en een persoonlijk inzicht in de universaliteit van de goddelijke liefde, predikte geen universele religie, maar interpreteerde zijn eigen geloof -de islam- op een universele manier. Het was geen interreligieus overleg waar zijn ruimdenkendheid uit voortkwam, maar de ervaring van de alomtegenwoordigheid van het goddelijk wezen en de universele toepasbaarheid van echte spirituele kennis.  De beweging die zich Universeel Soefisme noemt, is geen soefi-broederschap in de gebruikelijke zin van het woord, want ze staat niet in verband met de soefi-orden die een integraal deel van de islam uitmaken en die hun gnostische kennis veelal in het geheim hebben doorgegeven.

Toen Inayat Khan, die afkomstig was van een echte soefi-orde (Chishti-orde uit India) op zijn sterfbed lag, vertelde hij dat niemand geschikt was om hem op te volgen waardoor de levende verbinding werd verbroken. Hetzelfde gebeurde met de spirituele activiteiten van Gurdjieff in Europa en Amerika voor en na de tweede wereldoorlog, waarvan de basis ook lag in de soefi-mystiek van het Oosten. Ook hij benoemde geen opvolger, maar dat weerhield zijn aanhangers er niet van gewoon door te gaan met een herhaling van de dingen die hij -voor het grootste deel als experiment- aan ze geleerd had. Het westen wordt op dit moment overspoeld door pseudo-spiritualiteit uit het Midden-Oosten, waarvan de waarde vaak niet veel groter is dan een fitnessoefening, een literatuurcursus of het gebruik van hallucinerende paddenstoelen. Spiritueel meesterschap ontbreekt en alleen de suggestie blijft bestaan, wat het duidelijkst naar voren komt door de anti-cultuur die dit soort bewegingen vertegenwoordigen, met een nadruk op het belachelijk maken van de redelijke vermogens van de mens, ten faveure van blind geloof of een ingebeeld overstijgen van het intellect door spiritueel escapisme en ijdelheid.

‘Derde wereld-religie’

Eeuwenlang heeft het soefisme ‘hart en ziel’ uitgemaakt van de islam en hoewel ze zich daar om diverse redenen niet op voorstond, uit veiligheidsoverwegingen, of om niet meer verwarring te zaaien dan nodig was, kon de orthodoxe islam zo lang haar positie handhaven in de wereld, hoewel die van nature behoorlijk intolerant en repressief is, in vergelijking met bijvoorbeeld het boeddhisme. Vanuit de theologie, de literatuur, de muziek, de verhalentradities, alchemie, enz, is er voortdurend spirituele voeding gegeven aan een religie die voornamelijk bepaald werd door onderwerping en gehoorzaamheid, door wetscholen en schriftgeleerden. Met het afzakken van de islam naar de positie van ‘derde-wereldreligie’, als gevolg van het westers imperialisme, nadat eeuwenlang de verschillende moslimrijken gelijkwaardig waren aan de Europese, is er een identiteitscrisis ontstaan in de islamitische wereld. De fundamentalistische politieke islam die we nu kennen, die als voornaamste inspiratie dient voor moslimextremisten wereldwijd die overal aanslagen plegen, is ontstaan in de latere tijd. Deze ontwikkeling heeft het soefisme –het pad van innerlijke kennis- verdreven en veel soefi-groeperingen doen degraderen tot politiek activisten, voor wie de broederschapsband steeds meer betekenis kreeg van ‘politiek netwerk’. De structuren bleven bestaan, maar gingen heel andere doelen dienen. Zo werd één soefi-groepering in Egypte met haar ideeën uiteindelijk de grondlegger van de Islamitische Broederschap, die weer banden aanknoopte met terreurbeweging Al Qaeda. Zo bedroevend zijn veel spirituele tradities geëindigd. Ze werden of een flauwe afspiegeling van de spirituele glorie uit het verleden of kregen een militant karakter en werden een politiek instrument.

Als voorbeeld van hoe weinig voedingsbodem er vandaag de dag nog is voor een echte vredesboodschap van een soefisme dat de innerlijke weg hoger stelt dan de uiterlijke kant van het geloof (met haar politieke verwikkelingen), is het verhaal van de soefi uit een Arabisch land die een twee uur durende lezing gaf voor een klas met theologiestudenten in Indonesië, één van de grootste moslimlanden ter wereld. Hij sprak over liefde, broederschap, vrede en spirituele ontwikkeling en dacht dat hij zijn publiek daarmee geraakt had. Het publiek was ook erg enthousiast, maar toen stak één van de studenten een vinger op en vroeg de soefi-leraar ‘Waar wilt u dat we naar toegaan om de Jihad uit te voeren?’, waarmee pijnlijk duidelijk werd hoe weinig discrepantie de gelovigen aldaar zagen tussen de spirituele inhoud van het verhaal en de ‘heroïsche strijd’ voor hun geloof in politieke zin. In hun beleving liep dat gewoon in elkaar over, wat een kenmerk is van het mythologische denken dat geen onderscheid kent tussen het symbolische kwaad van onwetendheid, egoïsme of hardvochtigheid en de veruiterlijkte vijand -de zondebok- die veel makkelijker te bestrijden is met materiële middelen.

Het soefisme heeft zich met haar spirituele leerstellingen altijd aangepast aan het orthodox geloof, voor een deel uit veiligheids-overwegingen en voor een deel vanuit het onbegrip dat een esoterische leer intrinsiek ten deel valt, zodat erg veel uiterlijk vertoon over het algemeen niet aanbevelingswaardig is voor een goede overdracht van kennis. Het is aannemelijk dat een aantal van de grote soefi-meesters geestelijk verder gevorderd waren dan de profeet van de islam, maar vrijwel nooit heeft iemand van hen dit hardop geuit. Degenen die hun eigen spirituele staat wel zonder censuur verwoordden op het marktplein, hebben dit vaak met de dood moeten bekopen. In extase verklaarde Al Hallaj ‘Ik ben god!’, waarmee hij de eenheid verwoorde die essentieel bestaat tussen god en de gelovigen. Een ontologische werkelijkheid die zich niet theologisch laat vertalen, omdat in het normale dagelijkse leven er altijd een dualistische verhouding blijft bestaan tussen de mens en de hoogste realiteit. De standaard procedure van alle vooraanstaande soefi’s was om eerst de islam te erkennen en het gezag van de profeet en dan pas hun eigen ideeën te verkondigen, goed verpakt met een religieus stempel van goedkeuring.

De onaantastbaarheid van de profeet van de islam is helaas in veel opzichten een product van dezelfde soefi’s die zich in hun leer en methoden regelmatig van niet-islamitische bronnen bedienden, want de verregaande verering van de profeet vandaag de dag, heeft alles te maken met de personencultus die in soefi-kringen ontwikkeld werd. Voor de soefi’s die zo flexibel waren in hun manieren van onderwijzen, was het aanbidden van de profeet en het bidden voor zijn zielenheil (vele malen per dag) een manier voor de spirituele aspiranten om concentratievermogen te ontwikkelen, overgave, eerbied en toewijding. Een weg  om het hart te zuiveren en ontvankelijk te worden voor geestvervoeringen en uiteindelijk eenwording met het absolute. Het is te vergelijken met de Bhakti-beweging binnen het hindoeïsme, of de aanbidding van het heilige hart van Christus in de Katholieke kerk. De vorm of de naam doen er eigenlijk niet toe, want de aanbidding en de overgave staan op zichzelf en wekken het innerlijk vuur van de gelovige of de mysticus. De oefening telt zwaarder dan de beeltenis, wat ook niet anders kan voor wie ervan overtuigd is dat de mens geschapen is ‘naar gods beeld’, zoals de bijbel leert of in zichzelf een boeddha-natuur heeft, of een Ziel (atman) die in absolute zin gelijk is aan de ziel van de kosmos en de goddelijke realiteit (Brahman), zoals de Vedanta leert. Meditatie, contemplatie en gebed, doen het ‘heilige slangenvuur’ ontwaken dat slaapt onderaan de ruggengraat, op de plaats die door de oude Grieken het ‘heiligbeen’ werd genoemd.

Gevoel van minderwaardigheid

De eeuwenlange cultus rond de profeet van de islam, heeft ervoor gezorgd dat ook in onze tijd kritiek op de stichter van het geloof voor moslims ondenkbaar en onverteerbaar is. Ze stellen zich voor best tegen kritiek te kunnen, maar van de ‘geliefde’ profeet moet iedereen afblijven. En dat wordt heel lastig, als we in deze tijd een geloofwaardig debat willen voeren over de rol van de islam in de westerse samenleving. De geboden en verboden die door islamitische schriftgeleerden continu worden uitgevaardigd, zoals de Fatwa’s over elk denkbaar onderwerp, van het ter dood veroordelen van een schrijver (Rushdie) tot het recente verbod aan Arabische kinderen om sneeuwpoppen te maken, zijn allemaal te danken aan een systeem van religieuze en sociale voorschriften, dat zijn autoriteit ontleent aan het geloof in de onfeilbare boodschap van een verondersteld voorbeeldig en moreel onkreukbaar mens, de profeet Mohammed. Valt die grenzeloze aanbidding weg, dan valt er vanuit filosofisch, humanistisch standpunt weinig te zeggen voor de islamitische maatschappijinrichting, want de westerse landen liggen in allerlei opzichten al eeuwen op voor in hun sociaal-maatschappelijke ontwikkeling. De ideale islamitische staat zoals extremisten die voor zich zien, is een droombeeld dat niets van doen heeft met betere levenscondities. Het is een maatschappij waarin hun innerlijke gevoel van minderwaardigheid in een door seculiere waarden gedomineerde wereld, kan omslaan in superioriteit.

Vivekananda over Mohammed

Kritiek op de profeet van de islam is overigens helemaal niet nieuw, want al meer dan honderd jaar geleden werd er een spirituele analyse van hem gemaakt door een geestelijk ontwikkeld persoon, afkomstig uit een niet-islamitische traditie, de Indiase yogi Swami Vivekananda, leerling van de profeet Ramakrishna. ‘Profeet’ is in dit verband misschien niet de juiste term, want de boodschap van Ramakrishna hield geen voorschriften in voor de maatschappijinrichting en hij wilde ook geen nieuwe religie stichten. Hij bemoeide zich in het geheel niet met de autoriteiten. Met zijn leven en leer bevestigde hij de waarde van de verschillende spirituele wegen, de grote wereldreligies en de dominante stromingen binnen het hindoeïsme; de Tantra, Karma, Jnana en Bhakti-beweging, waarvan hij persoonlijk de meeste methodes had geprobeerd. Zijn benadering was volkomen eclectisch en het enige onderscheid dat hij maakte tussen gelovigen en spirituele zoekers, was hun oprechtheid en toewijding of het gebrek daaraan. Hij vermeed godsdienstige twist, maar stond zijn favoriete discipel Vivekananda wel toe om inhoudelijk met anderen in debat te gaan. Vivekananda had een kritische geest en sneed als een mes door valse leerstellingen. Hoewel zijn leraar de islam had goedgekeurd als spirituele weg (1), schreef de leerling, die in zijn denken voor een groot deel westers en wetenschappelijk georiënteerd was, jaren later heel wat kritischer over deze religie en haar stichter. In zijn boek Raja Yoga bespreekt hij de gevaren die bestaan voor mensen die op grote spirituele waarheden stuiten (goddelijke extase, Samadhi) die hier onvoldoende op zijn voorbereid door een ervaren spirituele meester, zodat ze hun ervaringen niet goed kunnen duiden en nog minder goed weten hoe deze verder te ontwikkelen, zonder hun geestelijk evenwicht te verliezen.

“…In veel gevallen bestaat het gevaar, dat de hersenen verstoord worden en in de regel vind u, dat al die mensen, hoe verheven zij ook waren, die toevallig op deze bovenbewuste toestand waren gestuit, zonder haar te begrijpen, in duisternis rondtastten en gewoonlijk,  tegelijk met hun kennis, een of ander vreemd bijgeloof hadden. Zij stelden zich open voor hallucinaties.”

…” Indien u de koran leest, vindt u de wonderbaarlijkste waarheden vermengd met bijgeloof. Hoe verklaart u dat? Die man werd geïnspireerd, ongetwijfeld, maar hij was als het ware plotseling op die inspiratie gestoten. Hij was geen geoefende yogi en wist niet wat hij deed. Denk aan al het goede dat Mohammed deed voor de wereld en denk aan het grote kwaad dat geschiedde door zijn fanatisme. Denk aan de miljoenen, afgeslacht ten gevolge van zijn leringen, moeders van hun kinderen beroofd, kinderen tot wezen gemaakt, gehele landen verwoest, miljoenen en miljoenen mensen gedood!’

Hierna beschrijft Vivekananda hoe het van vitaal belang is, om de vrucht van het spirituele pad op een geleidelijke manier te ontwikkelen, volgens een methode die lijkt op de wetenschappelijke, proefondervindelijke methode. Het leidt geen twijfel dat de grote soefi-ingewijden in de islam met deze geleidelijke weg bekend waren en dat ze de leer zonder veel uiterlijk vertoon doorgaven aan de enkelingen die er een speciale aanleg voor hadden:

“Bedenk altijd dat de (spirituele) wetenschap om de brug te maken tussen het uiterlijk en het innerlijk, zeldzaam is en alleen wordt doorgegeven aan enkelingen.”
                                                                                Hadrat Muinudin Chishti  

"Als je jezelf in de zee gooit, zonder begeleiding, is dat vol van gevaar, omdat een mens de dingen die opstijgen uit zijn innerlijk, verwart met de dingen die ergens anders vandaan komen." 
                                                                                                            Niffari

We weten uit het leven van de profeet Mohammed dat hij in afzondering ging bidden en mediteren in een grot op een berg en dat op het moment dat zijn openbaringen begonnen, hij in verwarring verkeerde over wat het te betekenen had. Hij vroeg hiervoor aanvankelijk steun en advies bij zijn eerste vrouw Khadija, die hem bevestigde en aanmoedigde. Zij nam hem mee naar haar neef, een blinde oude man die bijbelkennis had en die de ervaringen van Mohammed vergeleek met die van Mozes. Dit is wat Vivekananda bedoelde met de ‘toevalligheid’ van de spirituele ervaringen die Mohammed onderging. Hij had ze niet geanticipeerd en er was niemand in zijn omgeving die uit eigen ervaring een duiding ervan kon geven en hem kon helpen bij de verdere ontwikkeling van zijn spirituele weg. Het werd in plaats daarvan een ‘geloof’ en veruiterlijkte zich naar de samenleving, zoals dat ook gebeurde in Bijbelse tijden. Het soefisme ontstond pas later en werd een eigen traditie binnen het geloof, die in veel opzichten stabiliserend en verbindend heeft gewerkt. 

Pijnlijk en onvermijdelijk

Met het verdwijnen van de soefi-tradities in onze tijd lijkt de islam langzaam terug te keren naar de militante basis waar het geloof zijn oorsprong in heeft, het ‘te vuur en te zwaard’ verspreiden van de boodschap van de profeet. Zonder de liefde van de soefi-mystiek en de kennis van de ingewijden, blijft er een systeem over dat ‘wettisch’ en dwingend overkomt en dat voor niet-moslims nauwelijks schoonheid of aantrekkingskracht heeft. De voorschriften voor de gelovigen hebben allemaal de veronderstelling van een maatschappij die is ingericht naar islamitische maatstaven en zijn moeilijk te handhaven in de westerse seculiere maatschappij. Dat kan enkel op voorwaarde dat een minderheidsgroep (moslims) steeds meer aanpassing vraagt van de meerderheid van niet moslims. De bereidwilligheid daartoe lijkt langzaam tot een stilstand te zijn gekomen en men vraagt zich hier af wat de meerwaarde is van dit geloof voor de westerse samenleving, die zichzelf nog maar enkele eeuwen terug van het religieuze dictaat heeft verlost. Moslims in het westen lijken zich moeilijk te kunnen voorstellen, dat de geïdealiseerde profeet van hun geloof, in deze beschaving heel anders wordt bekeken dan in de eigen traditie en dat het uit de weg ruimen van zijn tegenstanders, het in koele bloede laten vermoorden van zijn bespotters, een historische realiteit is voor westerse mensen, die daar niet een sluier overheen leggen van religieuze legitimatie, dat het slechts ging om de ‘vijanden van het geloof’. In een cultuur waar de mythologische geloofswaarheden hun archetypische overheersing hebben moeten opgeven, wordt stap voor stap een historische realiteit zichtbaar, die voor moslims even pijnlijk als onvermijdelijk is.

Sven Snijer

(1)Ramakrishna had bijzondere ervaringen en visioenen bij iedere spirituele weg die hij bewandelde. Zo claimde hij onder andere visioenen te hebben gehad van Mohammed en van Jezus, maar zijn leerling Vivekananda maakt daarbij de kanttekening dat zijn meester toen reeds verlicht was (door Tantra-yoga en Jnana) en dat de latere visioenen voortkwamen uit zijn eigen verheven geestelijke staat.