maandag 24 juli 2017

Democratie als levensfilosofie



De democratie is met haar democratische waarden niet alleen een bestuursvorm maar ook een levensfilosofie en een levenswijze. Het is een seculiere manier van denken met grote maatschappelijke draagkracht al is niet iedereen het er over eens hoe de democratie het beste kan functioneren. De meeste mensen vinden wel dat het gezamenlijk besturen van een land beter is dan geregeerd worden door een selecte groep. Dat blijkt wanneer de democratie bedreigd wordt door ondemocratische stromingen als anarchisme, communisme, fascisme, nationaalsocialisme of islamisme waar weinigen aan overgeleverd willen worden. Democratie is een systeem waarin elementen van totalitaire ideologieën wel kunnen sluimeren, maar vaak niet opgewassen zijn tegen de alom aanwezige pluriformiteit en machtsdeling die zorgvuldig door haar burgers en het rechtssysteem worden bewaakt. Bewegingen met intolerante opvattingen worden beschouwd als een onderdeel van het systeem dat zelf een hoge mate van tolerantie heeft, want het inclusieve denken omvat ook exclusieve opvattingen. Dit berust op de kracht van het gemiddelde waardoor de extremen aan beide kanten van het politieke spectrum elkaar vaak neutraliseren en een stabiel middenveld geven. Democratie betekent op de eerste plaats het onschadelijk maken van machtsconcentraties bij personen en groepen die het evenwicht van het geheel kunnen verstoren.

Democratie voor gegoede burgers

Historisch gezien is democratie niet het idee geweest van één geniale geest, want het ontstond geleidelijk als gevolg van politiek-sociale omstandigheden. Vaak begon de tot welvaart gekomen middenklasse van een samenleving te knabbelen aan de macht en de privileges van de aristocratische bovenlaag, omdat de rijke kooplieden als dragers van de economie een steeds grotere invloed wilden op het stadsbestuur. Alle democratische rechten die burgers vandaag de dag hebben zijn bevochten in vele eeuwen van burgeremancipatie, waarbij de gegoede burgers aanvankelijk in de macht mochten delen van de adel, terwijl de gewone burgers nog steeds weinig te vertellen hadden. Veel politieke en sociale hervormers tot ver in de Verlichtingstijd wilden nooit verder gaan dan een vorm van democratie die zich uitstrekte tot een ontwikkelde bovenlaag, want adel of geen adel, een bepaalde distinctie in kennis en omgangsvormen beschouwde men toch wel als vereiste om te mogen meebeslissen in de politiek. Dat de democratie zo’n extreme mate van egalitarisme zou bereiken als in onze huidige tijd, met stemrecht voor iedere burger van achttien jaar of ouder en stemrecht voor vrouwen (in een samenleving zonder slavernij of lijfeigenschap) is een resultaat waar niemand op gerekend had.

De mens als politiek wezen

Opvallend bij de democratische bewustwording in de Europese geschiedenis is dat op beslissende momenten in onze cultuurontwikkeling de mens filosofisch beschouwd werd als een politiek wezen. In het oude Griekenland was Aristoteles al van mening dat de mens zich onvoldoende zou ontwikkelen en niet tot zijn volle potentieel kon komen buiten een stedelijke omgeving (stadstaat/ Polis) omdat de complexiteit van het stadsleven, met haar geavanceerde bestuursvorm, haar wetenschap, kunst en cultuur, religie en filosofie de ideale omgeving was om te ontdekken wat het doel van het mens-zijn was. Hij ontwikkelde het idee van de ‘eerste en tweede filosofie’ waarmee hij aangaf dat intellectuele inspanningen in eerste instantie een bepaald nut moeten hebben voor de mens en de samenleving (‘tweede filosofie’). Dit beschouwde hij als de noodzakelijke oefening om tot de eerste filosofie te geraken, die alleen gewaardeerd kon worden door mensen die het hoogste goed -het geestelijk inzicht- als een op zichzelf staande waarde konden waarderen. Zonder een menselijke samenleving waarin men midden in het leven staat, zou iemand nooit het onderscheid kunnen maken tussen de nuttige en de essentiële dingen. In die zin beschouwde hij de mens als een politiek dier, een wezen dat in een politiek-sociale structuur het beste tot zijn recht komt, omdat alles in de Griekse stadstaat met het politieke systeem te maken had en de mens alleen via die sociale interactie tot zijn eigen spirituele en filosofische bestemming kon komen.

De republiek Florence

In de stad Florence werd tijdens de renaissance vanuit een politiek ideaal het onderwijsprogramma opgezet voor het ambtenarenapparaat van de stad (studia humanitas) dat zich veel later zou ontwikkelen tot de humanistische levensbeschouwing. Oorspronkelijk was het een literair-filosofische stroming gericht op de klassieke oudheid die door de Florentijnse bestuurders Coluccio Salutati en Leonardo Bruni politiek werd georganiseerd als systeem om burgers te scholen, zodat zij met meer kennis en vaardigheden invulling konden geven aan administratieve en bestuurlijke functies. De pas opgerichte republiek Florence werd democratisch bestuurd door de vertegenwoordigers (Priori) van de belangrijkste Gilden (handelskartels) die de macht hadden overgenomen van de Magnati en Grandi, respectievelijk de oude aristocratie en de rijke kooplieden van eerdere generaties die zich de levensstijl en gewoonten van de adel hadden eigen gemaakt. Deze machtige bovenlaag van oude en nieuwe adel werd buiten het stadsbestuur gehouden, terwijl de gilden de hogere en lagere bestuursfuncties bezetten met vaak een heel korte ambtstermijn, waarna ze plaats maakten voor nieuw gekozen burgers om corruptie te voorkomen.

Gezamenlijke besluitvorming - de gave van het woord

Het was niet toevallig dat in deze politieke cultuur werd teruggegrepen op de grote Romeinse en Griekse denkers, want de Noord-Italiaanse steden waar het humanisme tot bloei kwam hadden meer gelijkenis met de Griekse stadstaten uit de tijd van Aristoteles (en de vroege Romeinse republiek) dan met de landbouwcultuur van het middeleeuwse feodale Europa. Haar overwegend boerenbevolking met een adellijke bovenlaag liet zich in levensbeschouwelijk opzicht leiden door de kerk en die ging uit van een driestandenmaatschappij waarin iedereen zijn vaste plaats had. De geestelijkheid was er voor het zielenheil van de mensen tijdens hun leven als voorbereiding op het hiernamaals, de adel was er om te strijden (veiligheid te verschaffen bij invallen van vreemde volkeren) en de boeren en ambachtslieden dienden voor de voedselvoorziening. Dit maatschappijmodel dat geen enkele sociale mobiliteit kende (mogelijkheid om je op te werken) sprak de zich ontwikkelende stadsbevolking van Florence en andere Italiaanse steden niet aan. De priori van de zeven grootste gilden vormden het dagelijks bestuur van de stad en omdat ze tot een gezamenlijke besluitvorming moesten komen werd aan de gave van het woord grote waarde toegekend. Anders dan in de middeleeuwen diende de rede niet langer om het geloof van een rationele onderbouwing te voorzien (godsbewijzen), maar werd ze nu gezien als een belangrijk hulpmiddel bij politieke vernieuwing. Wie een goede taalbeheersing had, het klassieke Latijn van Cicero en Quintilianus, was in staat om anderen te overtuigen door inzicht. Door zich de ethische deugden van de Romeinse filosofen van het verleden eigen te maken konden burgers bovendien beter dienstbaar zijn aan het ideaal van gezamenlijk bestuur, rechtvaardigheid voor allen en welvaart voor de stad. Ook al deden de Grandi en Magnati er alles aan om op slinkse wijze hun macht en invloed terug te krijgen, het gewone volk bleef een factor van betekenis en het ideaal van ‘bescherming van de kleinen en zwakken tegen onderdrukking door de machtigen en rijken’ werd steeds opnieuw verdedigd. Het ‘volk’ was een politiek begrip geworden en het grote plein in Florence was haar domein.    

Een maatschappij voor de burgers

Ook in het tijdperk van de Verlichting was de kijk op de mens essentieel politiek van aard. De Engelse filosoof John Locke was van mening dat het mogelijk was om een betere maatschappij te maken door betere mensen te ‘produceren’. Met behulp van de rede (onderwijssysteem) en een samenleving met meer sociale rechtvaardigheid kon een einde worden gemaakt aan het fatalisme van het verleden. De samenleving kon worden verbeterd door betere burgers af te leveren en nog een stadium verder, in de moderne tijd, werd het maatschappelijk systeem beschouwd als een geheel van instellingen dat in dienst moest staan van het welzijn van al haar burgers. Niet langer was de ideale samenleving het doel (Utopia), maar een ideaal leven voor individuele mensen, met goed onderwijs, medische voorzieningen, verzekeringen, rechtsbijstand, veilig en goed betaald werk, sociale voorzieningen, met veel vakanties en vrije dagen. Het politieke systeem moest dat welvarende leven in vrijheid met gegarandeerde rechten waarborgen en het werd daarom steeds meer als een dienaar van het volk gezien dan als een verbindende factor tussen burgers die via hun politieke idealen zichzelf en elkaar versterkten, terwijl tegelijk het systeem verder verbeterd werd. Toen op zeker moment alles bereikt was verloren de burgers van de democratische samenlevingen langzaam hun interesse in het politieke systeem en begonnen het zelfs saai te vinden. En dat is het in feite ook, als er geen grote dingen meer op het spel staan zoals stemrecht, vrouwenrechten, kinderarbeid, armoedebestrijding, recht op onderwijs, enz.

‘Kloof tussen politiek en burger’

We zijn op zeker moment terecht gekomen in het fabeltje van ‘de kloof tussen burger en overheid’ die vooral te maken heeft met de professionalisering van het bestuur dat heeft geleid tot verregaande bureaucratie en een professionele vergadercultuur in meerdere etappes waardoor besluitvorming erg langzaam gaat. Dit wordt nog eens versterkt door het laagdrempelige karakter van ons politieke systeem (precies het omgekeerde van de ‘kloof’) waardoor talloze maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven gehoord moeten worden en serieus genomen, bij welk besluit dan ook. Dat er soms anders wordt besloten op hoog niveau dan ‘wat het volk wil’ is niet zozeer een teken dat ons democratisch systeem niet werkt of dat politici niet willen luisteren naar de burger, maar dat er bij grootschalige projecten belangen op het spel staan van grote spelers met veel economische macht. Het zijn eerder de machtige lobby’s van (internationale) bedrijven die het democratische systeem onder druk zetten dan dat er sprake zou zijn van een te grote afstand tussen Den Haag en het land. Neem het probleem van de radicale islam in het westen. Veel mensen menen dat het de politieke onwil is van politici om het probleem van radicalisering eens stevig aan te pakken, alsof het niets meer dan ‘linkse schijnheiligheid’ betreft die ze daarbij tegenhoudt. Dat zal in de nasleep van de postmodernistische en multiculturele jaren negentig, waarbij elk kritisch geluid richting een andere cultuur of religie werd neergesabeld als ‘discriminatie’ of ‘fascisme’ nog steeds een rol spelen in de haarvaten van het systeem, maar internationaal gezien is er wel wat meer aan de hand. De wapendeal van honderd miljard dollar die de Amerikaanse president Trump onlangs sloot met Saoedi Arabië, de hofleverancier van het salafistische gedachtegoed, is een factor die vele malen meer impact heeft op Europa dan welk binnenlands beleid door de afzonderlijke landen gevoerd ook.

Helpt het vrije westen Qatar?

Wat er voor individuele regeringen overblijft is symptoombestrijding, want de oorzaak van het radicalisme wordt niet weggenomen. Grote financiële belangen staan dat in de weg, notabene belangen van het land dat het zwaarst getroffen werd van allemaal door islamitisch terrorisme, de Verenigde Staten op 11 september 2001 (Twin Towers). Saoedi Arabië mag als bondgenoot van de VS dan wel betrouwbaar zijn op het gebied van geld en militaire steun, maar tegelijkertijd is een radicale vorm van islam het fundament van dit land en van een aantal buurlanden die eveneens rijk zijn geworden door olie. Zonder deze olie zou het gedachtegoed van deze landen op geen enkele manier invloed kunnen uitoefenen in de moderne wereld, maar dankzij de oliedollars kan het radicalisme wereldwijd worden geëxporteerd. Het was schrijnend om te zien hoe Qatar, het enige land in de regio dat echt aan het moderniseren is, met objectief en interactief nieuws vanuit de hele wereld op zender Aljazeera, vanuit het westen weinig steun ontving toen Saoedi Arabië in een ultimatum eiste dat deze zender (kritisch op conservatieve en patriarchale machtsverhoudingen) zou worden opgeheven. Het enige land in het Midden Oosten waar je als vrouw wél kunt uitgroeien tot invloedrijk nieuwsanker liet men een beetje bungelen. Nog steeds hangt deze kwestie in de lucht, dus hoeveel waarde hecht Amerika nu echt aan vrije pers als het niet in haar eigen economische en militaire belang is? Voor Europa geldt dezelfde vraag. Duitsland werd pas woedend op de ‘gekozen’ autocraat Erdogan toen een Duitse mensenrechtenactivist werd opgepakt in Turkije, niet toen Erdogan maanden daarvoor hetzelfde deed met duizenden onschuldige Turken die allemaal ‘Gülen-terroristen’ zouden zijn.

Weerstand tegen het globalisme

Uitgaande van de factoren die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de democratie door de geschiedenis heen (afname van de macht van een selecte groep en groeiende betrokkenheid van het volk bij de politiek) en de factoren die haar hebben bedreigd (teveel macht en rijkdom bij enkele personen of families) kunnen we concluderen dat er in de huidige tijd veel te weinig invloed is van het volk op de politiek om haar verder te ontwikkelen of zelfs overeind te houden. Niet omdat we geen vrijheid van meningsuiting hebben of ons niet verkiesbaar mogen stellen, maar omdat internationale krachten tegenwoordig een belangrijk deel van ons nationale beleid bepalen. En omdat we op nationaal niveau de onvermijdelijke gevolgen van de internationale politiek ervaren (met de invloed van multinationals voorop) en daar niet veel meer tegen kunnen doen dan korte termijnoplossingen zoeken voor problemen die nog heel lang zullen blijven bestaan door een structurele evenwichtsverstoring in de wereld op economisch, politiek en sociaal gebied. De reactie van veel mensen in deze tijd die niet geloven in de globalisering als cultureel ideaal van de links-liberale elite is een hernieuwd nationalisme en het willen sluiten van de Nederlandse of Europese grenzen. De roep om het terughalen van de politieke besluitvorming uit Brussel naar Den Haag en het ‘baas zijn in de eigen winkel’ is wederom zo’n korte termijnvisie die niets oplost aan de internationale krachten die het lot bepalen van ons allen. Om het in klimatologische termen uit te drukken, we kunnen wel steeds hogere dijken bouwen maar als de zeespiegel blijft stijgen is het misschien beter om de uitstoot van al die aarde-opwarmende gassen wereldwijd aan banden te leggen via internationale verdragen.

Wereldproblemen mondiaal aanpakken

Anders dan samenzweringsdenkers en nationalisten ben ik niet bang voor een ‘geheime’ wereldregering, maar kijk ik er reikhalzend naar uit. Het wordt hoog tijd dat de grote problemen in de wereld op mondiaal niveau aangepakt worden en niet langer afhankelijk zijn van de wil of onwil van deze of gene militair-economische grootmacht. Er is altijd wel een dwarsligger die meent dat de andere partijen meer voordeel trekken van een bepaald verdrag, dus dient er een instantie te komen die boven de grootste partijen staat, groter dan de grootste landen en sterker dan de machtigste internationale bedrijven. Een wereldparlement met gekozen afgevaardigden uit alle landen naar het model van de Verenigde Naties, maar met verregaande bevoegdheden en de eindverantwoordelijkheid over nucleaire energie en wapens. Alleen op die manier kan er evenwicht komen op het wereldtoneel en hoeven de individuele landen niet telkens opnieuw tijdelijke allianties met elkaar aan te gaan ingegeven door de noodzaak van het moment (Vluchtelingendeal van Europa met Turkije). Geld is wat op dit moment de wereld kapot maakt, niet een falende democratie. Amerika werd door een grote Amerikaanse krant een jaar terug uitgescholden voor ‘Oligarchie’ omdat een klein groepje van superrijken het grootste deel van het land in handen hebben en verkiezingen doorgaans worden gewonnen door de kandidaat met de rijkste sponsors. De essentie van democratie is machtsdeling en op dit moment zijn wij als wereldburgers niet in staat om de macht van de grootste spelers aan regels te onderwerpen, maar moeten democratieën zich laten leiden door internationale handelsbelangen en betrekkingen met landen waar het met de democratie en de mensenrechten slecht gesteld is. Opkomende economische grootmacht China pakt zelfs dissidenten op in het buitenland en ontvoerd ze naar Chinese gevangenissen, maar het westen doet er goede zaken mee.

De nieuwe ‘Grandi’ 

In wezen erkennen samenzweringsdenkers wel het probleem van het ondermijnen van de democratische zelfbeschikking van burgers, maar ze zien niet in dat dit natuurlijke oorzaken heeft en geen geheime genootschappen vereist die een sinister plan hebben om de wereld over te nemen. Macht corrumpeert al zolang als de mensheid bestaat en natuurlijk zullen de rijken en machtigen der aarde zoveel mogelijk dingen naar hun hand willen zetten als ze daar de mogelijkheid toe zien. De vraag is waarom die macht niet kan worden ingeperkt en waarom op het hoogste niveau de wereldpolitiek niet langs democratische en juridische, maar langs economische lijnen loopt. In het verleden heeft welvaart vaak gezorgd voor meer emancipatie van het volk, omdat een zich ontwikkelende zelfbewuste middenklasse bij de elite meer rechten opeiste voor zichzelf, wat geleidelijk aan ook ten goede kwam aan de lagen daaronder. Maar in grote delen van de wereld bestaat helemaal geen ontwikkelde middenklasse, omdat de steun van kapitalistische en communistische landen tijdens de Koude Oorlog aan onderdrukkende regimes overal ter wereld bij het knechten van hun eigen bevolking dit tegenhield en veel landen niet begrijpen hoe democratie werkt. Wat we nu zien in de wereld is dat er door de wereldhandel niet meer emancipatie ontstaat voor burgers in derdewereldlanden, maar een soort lijfeigenschap (en soms letterlijk slavernij en kinderarbeid) in de lage lonenlanden, die in dienst staat van de nieuwe aristocratie, de moderne ‘Grandi’, de welvarende, volgevreten, superconsumerende en vervuilende burgers van het vrije westen.

Vrijheid van retoriek?


Omdat westerlingen niet nadenken over de herkomst van palmolie in de producten die ze aankopen, worden er in Indonesië hele oerwouden platgelegd en daar spreken wij makkelijk schande van, maar er zou niets worden gekapt als we als wereldbevolking verantwoordelijkheid zouden voelen voor de hele planeet en niet alleen voor de veiligheid van onze eigen landsgrenzen, pensioenen of ‘vrijheid van meningsuiting’. Want dat is ook zo’n ding, die vrijheid van meningsuiting. We hebben de vrijheid om te signaleren wat er niet deugt in de wereld, maar niet de middelen om het aan te pakken. Daarmee is die vrijheid meer een ijdel sieraad dan een machtig wapen in de strijd tegen onrecht en onderdrukking. Problemen op wereldniveau vragen om oplossingen op wereldniveau en daar hoort ook een autoriteit en beslissingsbevoegdheid bij die mooie afspraken en beloften tussen landen ten uitvoer kan brengen. In de tijd dat Saddam Hoessein nog in het zadel zat was het negeren van VN-resuloties zijn dagelijkse tijdverdrijf, want de Verenigde Naties als reus op lemen voeten kon tot geen enkele actie over gaan zonder toestemming van de economische en militaire grootmachten van de wereld. En zo is het nog steeds. De inval in Irak was naar de wens van Amerika, met steun van de zichzelf overschattende links-liberaal Tony Blair die net zoals nu de Franse president Macron aan het doen is graag tegen het been van de machtige vriend Amerika stond op te rijen om er zelf belangrijker door te lijken. Toen de massavernietigingswapens in Irak niet gevonden werden was men in de VS achteraf toch maar blij dat de dictator was afgezet, maar nog niet zo lang daarvoor verdiende de Europese wapenindustrie goud geld aan hun belangrijke afnemer Saddam (inclusief de grondstoffen voor zijn gifgasaanval op de Koerden).


Amerika ‘eerste’ onder de egoïsten

De Verenigde Staten zijn nog slechts met grote moeite ‘leidende natie’ in de wereld en behalve voor de verdediging van de vrije wereld met geld en wapens hoeven we daar verder eigenlijk weinig van te verwachten. Het land is afgezakt naar het niveau van eigenbelang tegenover Europese, Chinese, Russische of Mexicaanse belangen zonder dat er een gezamenlijk belang voor alle volken en naties kan worden geformuleerd. Politieke armoede en kortzichtigheid van de bovenste plank. Het drama dat zich nu voltrekt is dat de verliezende grootmachten Europa en Amerika zich terugtrekken in hun eigen cocon en net doen alsof in het Oosten niet een ontwikkeling gaande is waardoor ze straks zullen worden weggespoeld van het wereldtoneel; de groei van China en India. Als zij er wel in slagen de derdewereldlanden tot bloei te brengen (economisch investeren in Afrika in plaats van ze met ‘ontwikkelingshulp’ zeventig jaar aan de bedelstaf te houden, zoals Europa en de VS deden) dan wordt het Aziatisch continent heel machtig en zal zij haar culturele waarden gaan dicteren aan de rest van de wereld. En ook dat is geen stap op weg naar meer democratie op wereldniveau, al kan het de aanloop zijn er naartoe als de zich ontwikkelende landen en volkeren zich geleidelijk aan gaan emanciperen. Maar voor hetzelfde geld zal China een groot deel van de wereld economisch bezet houden, zoals de VS dat lange tijd deed en haar leger uitbreiden om de wereldpolitiek naar haar hand te zetten.

Terug naar de Grote Leider?

Ik ben ervan overtuigd dat de democratie uiteindelijk wereldwijd de overwinning zal behalen, want we kunnen nu eenmaal niet terug naar de achterlijkheid en onderworpenheid. Niemand wil terug naar de ossenwagen, als er auto’s gereden hebben en vliegtuigen gevlogen, maar het is heel goed denkbaar dat de democratie in bepaalde delen van de wereld lange tijd niet van de grond zal komen en zelfs raakt ondergesneeuwd door primaire instincten daar waar ze eens heeft gebloeid. Het Europa van de middeleeuwen was primitiever in politieke zin dan het bestuur van Athene of Sparta vele eeuwen daarvoor. De macht van het keizerrijk Rome drukte alles weg wat daarvoor had bestaan aan democratie en inspraak van de senaat en het christelijk geloof gaf meer antwoorden op vragen over het leven ná dit leven dan dat het handvatten verschafte voor maatschappelijke hervorming en burgeremancipatie. De nieuwe rijken van Florence tijdens de renaissance moesten in de antieke filosofie van de Romeinen excuses vinden voor hun welvaart die ze door hard werken hadden verkregen, omdat de kerk hen het aanrekende met zoveel ijdelheid te leven. Men kon zich maar het beste schikken naar de bestaande ‘orde der dingen’ en de kerk was een belangrijk onderdeel van die bestaande orde. Gelijktijdig met de toename van autoritaire regimes in de wereld (Rusland, Turkije, Polen, Hongarije, Syrië, Filippijnen, enz), vrijheidsonderdrukkende maatregelen en het verdacht maken van de vrije pers of wetenschappelijke onderzoeken zien we de opkomst van een nationalisme dat aanschuurt tegen de (voorheen als achterlijk afgedane) religie van eigen bodem op zoek naar een verloren identiteit. ‘Wie waren we ook al weer voordat we consumenten werden?’ Het antwoord daarop is moeilijk uit te leggen in een paar woorden, maar het had iets te maken met emancipatie en zelfbeschikking in een gezamenlijke verantwoordelijkheid die boven onze eigen egoïstische belangen uitging, zonder ons te hoeven vastklampen aan vlaggen, symbolen, etniciteiten, geloofsovertuigingen, culturen en idealen die boven de algemene menselijkheid uitgingen.  

Sven Snijer  

vrijdag 30 juni 2017

Decentralisatie van de jeugdzorg als historische vergissing



Decentralisatie van gezag heeft historisch gezien altijd twee oorzaken; het uiteenvallen van een wereldrijk of de opkomst van regionale machten die zich onafhankelijk willen maken van het centrale gezag van een wereldrijk (dat meestal al aan het verzwakken is). Het eerste zien we in het vroeg-middeleeuwse Europa na de val van Rome door invallen van barbaren uit het Noorden en pestepidemieën en het tweede aspect zien we bij de opkomst van de Noord-Italiaanse staten die zich losmaakten van het Duitse keizerlijke gezag of het zich losmaken van de Nederlanden van het onbestuurbaar geworden wereldrijk van de koning van Spanje. Decentralisatie vraagt om twee ingrediënten om te kunnen slagen; een zwak centraal gezag en een sterke lokale ontwikkeling van de economie met als gevolg de emancipatie van gecultiveerde en betrokken burgers. Bij de Decentralisatie van de jeugdzorg was er wel sprake van het één (zwakke overheidscontrole op de jeugdzorg in de verschillende provincies), maar zeker niet van het ander (een sterke regionale overheid met grote bereidwilligheid tot zelfbestuur in jeugdzorgzaken). En misschien nog wel het allerbelangrijkste, er was zeer weinig motivatie bij de gewone burgers voor de pas uitgevonden participatiesamenleving en de ‘pedagogische civil society’ die werd geprofeteerd vanuit de academische sociale faculteiten.(1)

Decentralisatie vaak onvrijwillig

Eén vorm van decentralisatie in de middeleeuwen zagen we in Frankrijk in de tijd dat de vazallen van de Frankische koningen zich in toenemende mate gingen onttrekken aan het gezag van hun heer en steeds meer als koninkjes gingen regeren in hun eigen domein. De komst van de stenen kastelen in de Hoge Middeleeuwen maakte het voor koningen vrijwel onmogelijk om hun opstandige en eigengereide vazallen tot de orde te roepen, want dat zou vele plaatselijke en zeer kostbare oorlogen vragen en dat hadden ze er niet voor over. De lokale heersers (kasteleins) ontwikkelden ieder hun eigen rechtssysteem voor het oplossen van plaatselijke geschillen en ze waren daarmee (met door henzelf aangestelde rechters) niet alleen beschermers van de plaatselijke bevolking, maar in feite absolute heersers. De koningen van Europa probeerden als gevolg van de herontdekking van het Romeinse recht tijdens de renaissance een juridische macht terug te krijgen over hun onderdanen (graven en hertogen) door hun gewoonterecht te omzeilen en politieke tegenstanders te laten veroordelen door hun eigen ‘Romeinse rechtbanken’. De Decentralisatie van een rijk was vanuit het centrale gezag gezien vaak onvrijwillig en leidde tot allerlei soorten van onrecht en willekeur in de regio’s, terwijl de koningen en keizers zelf weer met meedogenloze manieren probeerden om hun overkoepelende gezag te herstellen, door heroveringsoorlogen en inquisities.

Kunnen gemeenten wel sturen?

Met de Decentralisatie van de jeugdzorg in 2015 zagen we het merkwaardige fenomeen van de opsplitsing van sociaal beleid (ouderenbeleid/ jeugdzorg) over talloze gemeenten, terwijl een centraal juridisch systeem gehandhaafd bleef (de Nederlandse wetgeving). Aangezien jeugdzorgzaken via de Raad voor de Kinderbescherming met dit nationale rechtssysteem verbonden zijn kan de invloed van de gemeenten niet verder reiken dan hun vermogen om het juridische gedrag van jeugdbeschermers te beïnvloeden. Al vóór de Transitie stelde Jeugdzorg Nederland dat gemeenten zich niet mochten bemoeien met zaken die onder de rechter waren. Met andere woorden, de gemeenten zouden zich uitsluitend mogen bemoeien met preventieve vormen van hulpverlening, maar bij ‘gevaar voor het kind’ was het een zaak tussen jeugdzorg/RvdK en de rechter. Het probleem daarmee was dat jeugdbeschermers en rechters om diverse redenen (geen tijd, geen geld, geen toetsingsmogelijkheden) al jaren een één-tweetje hebben met elkaar en dat ouders in dergelijke jeugdrechtzaken vaak het onderspit delven. Hoe zouden gemeenten hierop moeten sturen, als ze verantwoordelijk werden voor de bekostiging van ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen? Het idee van de Decentralisatie was dat er een Participatiesamenleving zou ontstaan, maar niemand kon eigenlijk aangeven waarom. Binnen familiesystemen zou men elkaar gaan helpen en daardoor kon de bemoeienis van jeugdzorgprofessionals worden teruggedrongen of zelfs voorkomen. De Sociale Wijkteams zouden ze een stap vóór zijn en met gezinnen rond de tafel gaan, een gezinsplan maken en de gang naar de rechter was dan helemaal niet meer nodig. Tot zover de theorie…

Eigen Kracht als Haarlemmerolie

In werkelijkheid is er onder de bevolking nooit enig draagvlak geweest voor een participatiesamenleving, want we zijn een hoog ontwikkelde geïndividualiseerde cultuur met op elk maatschappelijk gebied landelijke regelingen. De overheid heeft een vaag concept van Eigen Kracht, dat alleen heel specifiek van toepassing was op probleemgezinnen bij het afbouwen van kinderbeschermingsmaatregelen, gebruikt als een generaal concept dat op elk gezin van toepassing kon zijn met wat voor hulpvraag dan ook.(2) Dit had niet alleen tot gevolg dat ieder gezin met een autistisch- of Lyme kind impliciet verdacht werd van pedagogische onbekwaamheid (met dreiging van juridische strijd over ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing), maar ook dat er lekker gekort kon worden op specialistische (j-ggz) hulp aan kinderen, want elk medisch probleem werd overgeschilderd tot sociaal probleem (3). Anders dan het zelfbewust opeisen van meer regionaal gezag door de steden bij het jeugdzorgbeleid, kregen de meeste plaatselijke bestuurders de Transitie gewoon in de maag gesplitst en was er onder de gewone bevolking geen enkel draagvlak voor dit zeer risicovolle plan van een sociale omwenteling. Het was een ‘wedergeboorte’ die als een doodgeboren kind ter wereld kwam, dat tweeëneenhalf jaar later nog aan de slangetjes ligt, met de belofte dat er nog zo’n vijf jaar(!) nodig zijn voordat ze met zekerheid iets kunnen zeggen over het wel of niet slagen van de Decentralisatie.(4) Een geweldige stap voorwaarts voor onze beschaving.

Méér centraal gezag

Wat er in feite nodig was bij het falende jeugdzorgbeleid van de afgelopen twintig of dertig jaar, was niet minder maar juist méér centraal bestuur en betere controle op de uitvoering van zowel vrijwillige als gedwongen hulptrajecten. Daar heeft het jarenlang aan ontbroken en er is ook nooit gehandhaafd (bij omgangssabotage na echtscheiding of het uitblijven van behandeling na uithuisplaatsing), zodat de jeugdsector altijd wegkwam met mooie beloften om aan zelfverbetering te zullen doen. De Nederlandse overheid en haar verhouding tot de jeugdzorg had immer het karakter van de machteloze Duitse keizer die geen enkele greep had op de talloze hertogdommen, graafschappen en ridderschappen die zijn uitgestrekte rijk tot een politiek-sociale lappendeken maakte, waardoor hij voortdurend tot compromissen gedwongen werd met de in theorie aan hem ondergeschikte edelen. Zo staat de Nederlandse overheid in verhouding tot de landelijke jeugdzorglobby en organisaties die hun brood verdienen met de meldingshysterie (5). Vraag een gemiddeld raadslid van een kleine of grote stad hoe ze de kwaliteit van de jeugdzorg moeten controleren en machtsmisbruik door jeugdbeschermers moeten tegengaan en ze weten het niet. Ze vragen in sommige gevallen aan ouderorganisaties om advies en hoewel dat een gunstig neveneffect is van de Transitie (het jarenlange falen van jeugdzorg komt nu aan het licht) laat het wel zien hoe slecht de landelijke overheid de Transitie heeft begeleid. Ze heeft eigenlijk helemaal niets begeleid, behalve dat ze een instrumentele overdracht heeft gerealiseerd waarbij alle praktische en ideologische problemen van het oude Bureau Jeugdzorg als wanproduct op de grens van sociaal en juridisch domein, terug te vinden zijn bij de sociale wijkteams en de beschermtafels.

Over- en onderdiagnosticering

Al voor de Transitie in werking trad spraken diverse groepen van het ‘over de schutting gooien’ van de jeugdzorgproblemen bij de gemeenten. En zo pakt het ook uit, want niet alleen is er ondanks de waarschuwing van jeugdzorgkenner Rene Clarijs een incomplete Transitie uitgevoerd (doorverwijzing naar j-ggz via huisarts bleef gehandhaafd - En terecht!) zodat de dreigende beleidsklucht die hij voorspelde nu een feit is geworden (6), maar de wijkteams zelf blijken ook zeer incompetent en geen hond loopt er naar binnen. Zeker niet de multiprobleemgezinnen die de overheid hoopt te vinden voordat een heel familiecluster van dertig personen of meer criminaliseert en alle broertjes, zusjes, neefjes en nichtjes met zich meetrekt. Dat kostenplaatje zal niet verminderen en het beroep op j-ggz (door autochtonen) is niet zoals beloofd naar beneden gegaan en de onderdiagnosticering van allochtone kinderen is dus eveneens niet verbeterd richting méér diagnostisering, waardoor in theorie een deel van de criminaliteit onder bijvoorbeeld Marokkaanse jongeren zou kunnen worden verminderd (LVB, ASS, ADHD, etc). Er wordt op bescheiden schaal wel gewerkt in deze richting, maar dat gaat weer buiten de wijkteams om en is vaak verbonden met de Top-600. (7) De wijkteambeloftes komen niet uit en van een bezuiniging door meer efficiëntie in het jeugdbeleid is geen sprake. Vandaar dat er nu overal geld bij moet en Martin van Rijn als een idioot op zoek moest gaan naar hulp voor suïcidale kinderen op wachtlijsten. Maar dat zijn niet de enige kinderen die hulp nodig hebben en de gemeenten zullen uiteindelijk pijnlijke financiële keuzes moeten maken, want het geld was niet geoormerkt.(8) Dan maar een bibliotheek of zwembad sluiten, of de subsidie voor de muziekvereniging stopzetten. Fijn hoor, dat ze het nu zelf mogen doen.

Een volledige 'knip'

Het antwoord op het jeugdzorgprobleem van de afgelopen twintig jaar lag uiteraard maar voor een deel in het sociale domein (en zelfs dat pakken ze verkeerd aan), maar voor een belangrijker deel op het juridische terrein. Hoe kan de gemeente nu bepalen of gedwongen maatregelen voor een kind nodig zijn of dat iets beter in het vrijwillige kader kan worden opgelost? De spraakverwarring ontstaat al vanuit het oude concept van Bureau Jeugdzorg dat ging over beide domeinen van hulpverlening (VWS) en Justitie (via de Raad voor de Kinderbescherming). Door 'hulp' en 'gevaar' altijd in één zin te noemen en door de term ‘doorzettingsmacht’ voor wijkteams op te nemen in het Amsterdamse Transitiehandboek ‘Om het kind’ blijft dit tot in lengte van dagen een 'grijs gebied' en daar spint vooral jeugdzorg garen bij. Doorzettingsmacht betekent in de Nederlandse traditie van jeugdbeleid een zeer nauwe verstrengeling van ‘helpen’ en ‘dreigen’ bij het begeleiden van gezinnen. Er wordt geen principieel onderscheid gemaakt tussen ouders die hun kind mishandelen of doden en ouders die een opvoedprobleem hebben (pedagogisch of kindeigen problematiek). Allemaal treft hen dezelfde verdenking; het kind moet beschermd worden door de staat (vertegenwoordigd door jeugdzorg die nauwelijks wordt gecontroleerd) tegen de ouders die een potentieel gevaar zijn voor het kind. Dit is altijd het uitgangspunt bij jeugdhulp via jeugdzorg/wijkteam en daarom is dit traject ook levensgevaarlijk voor welwillende goede ouders. Deze funeste denkwijze is nog steeds niet doorbroken en daarom pleit advocaat Huib Struycken (evenals Peter Prinsen van het Nederlands Advocaten Comité) voor een volledige knip tussen hulpverlening en juridische maatregelen. (9)

Zonder bewezen gevaar, gewoon hulpverlenen

Alleen door de echte kindermishandeling als een strafbaar feit aan te merken (en de ouders te veroordelen) en de vermeende mishandeling te toetsen aan de hand van een draaiboek naar het voorbeeld van het strafrecht, om de rechtmatigheid van een dreigende uithuisplaatsing te beoordelen onafhankelijk van de beweringen en speculaties van jeugdbeschermers (als zelfbenoemde experts), kan de jeugdhulpverlening uit haar juridisch dwangbuis worden gehaald. Op die manier kunnen ouders weer vertrouwen ontwikkelen in de jeugdhulpverlening via CJG of Wijkteam, als die tenminste voldoende expertise in huis hebben om op tijd door te verwijzen naar specialistische hulp wanneer dat nodig is. Een eerlijkere rechtsgang bij dreiging van gedwongen maatregelen is daarbij een goede stok achter de deur, want als er geen ernstige gevaren zijn voor het kind hebben de sociaal werkers van jeugdzorg en dergelijke geen mogelijkheid om een hulpverleningsrelatie onnodig juridisch te laten escaleren en moeten zij wel met een betere kwaliteit van zorg komen. Alleen dan krijgen de gemeenten een beetje grip op het proces, want zoals in het verleden de zeldzame kritische jeugdrechter wel eens te horen kreeg van de jeugdbeschermers dat hij/zij ‘niets begreep’ van hun complexe werkzaamheden, zijn nu de gemeenten de passieve toeschouwers die maar moeten hopen dat de risicotaxaties van de jeugdbeschermers valide zijn en dat ze niet voor niets de prijs betalen van de door jeugdzorg en de Raad gestuurde gerechtelijke uitspraken.

Sven Snijer











zaterdag 24 juni 2017

Waar blijft de nacht-jeugdzorg?

Al jaren proberen jeugdbeschermers kinderen op het spoor te komen die mishandeld of verwaarloosd worden via kanalen die bijzonder weinig slagingskans hebben. Buiten de 85% van de meldingen die via de politie binnenkomen wil de armzalige 15% die jeugdzorg zelf opspoort (waarvan een aanzienlijk deel escalatie betreft van een vrijwillig begonnen traject) maar niet groeien, ondanks aanhoudende campagnes jarenlang om meer kindermishandeling op te sporen. Vooral de preventieve aanpak faalt keer op keer, of het nu over Centra voor Jeugd & Gezin gaat, Sociale Wijkteams of de Meldcode kindermishandeling die in scholen, ziekenhuizen en woningbouwverenigingen wordt ingevoerd. (1) Het is allemaal water naar de zee dragen, want talloze pogingen van de overheid om achter de voordeur te komen van probleemgezinnen (Ouder en Kindadviseur/ GGD-vragenlijsten voor scholieren) zijn tot nu toe vruchteloos gebleken. En dat terwijl het probleem letterlijk op straat ligt.

Waar wachten we op?

De verwaarloosde kinderen die de grootste kans maken om met criminaliteit en justitie in aanraking te komen vindt men dagelijks zonder ouderlijke begeleiding op straat, vaak in groepjes van (jonge) kinderen die rottigheid uithalen die soms enkel vervelend en soms ronduit intimiderend is. Niet alleen overdag is dit waar te nemen in grote steden, maar ook ’s nachts op doordeweekse dagen. Nergens zijn ouders te bekennen en dat zal toch niet alleen buurtbewoners opvallen, maar ook overheidsinstanties. De vraag is waarom er met die waarnemingen niets gedaan wordt door jeugdbeschermers die rustig op meldingen zitten te wachten die binnenkomen bij Veilig Thuis of die hopen dat gezinnen met potentiële probleemjongeren vanzelf bij het Sociale Wijkteam of het Ouder-Kindcentrum zullen binnenlopen. De kans op dat laatste is namelijk nihil en de meldingen bij Veilig Thuis betreffen vaak helemaal geen ernstige gevallen, wat resulteert in het maandenlang lastig vallen van doorsnee gezinnen met een informantenonderzoek en andere interventies (Eigen Kracht) die daar standaard op worden losgelaten. Veel simpeler zou het zijn als jeugdzorg ’s nachts zelf op pad zou gaan en veel te jonge kinderen zou aanspreken met de vraag wat ze zo laat nog op straat doen en waarom hun ouders het kennelijk weinig interesseert waar hun kroost uithangt. (2) Zoals een wijkagent het een aantal jaar terug verwoordde ‘We brengen soms kinderen van een jaar of zeven om drie uur ’s nachts bij hun ouders thuis die niet eens in de gaten hadden dat het kind weg was.’

Kantoortijden

Het is natuurlijk niet zomaar iets wat ik vraag van jeugdbeschermers; dat ze zich buiten kantoortijden moeten inspannen om jeugdigen te helpen die het echt nodig hebben (tegenover het lastig vallen van gezinnen op reguliere werktijden die het vaak heel goed zelf kunnen), maar het zou wel een revolutie betekenen om het probleem eens bij de kern aan te pakken. Geen anonieme meldingen van buren meer, geen overbelasting van scholen die toch al aan de drukkende regelgeving ten onder gaan en nu ook nog experts kindermishandeling moeten worden, geen duimen draaien bij de CJG’s en de Wijkteams die ondanks hun ‘outreachende’ ideaal nog weinig effectief bereik hebben, maar direct aanbellen bij het gezin van het verwaarloosde, op straat zwervende, overlast veroorzakende en vernielingen aanrichtende kind. (3) Dat lost ook meteen het probleem met privacyschending op voor gemeenten die nu via de Sociale Wijkteams over de hele linie gezinnen moeten lastig vallen met sociale verantwoording (‘Is het een j-ggz probleem of kunt u niet opvoeden?’), terwijl men in wezen op zoek is naar die gezinnen waarvan met enige zekerheid kan worden voorspeld dat hun kinderen spoedig in de problemen zullen raken als er niet snel ingegrepen wordt. Als de politie moet ingrijpen is het vaak al te laat, dus laat jeugdzorg zelf op pad gaan. Alleen dan krijgt het woord preventie echt betekenis. Nu is het een loze kreet die zorgt voor steeds meer bevoegdheden voor jeugdbeschermers en steeds minder rechten voor ouders, maar zonder dat dit resulteert in effectiever jeugdbeleid.

Sven Snijer