zaterdag 23 mei 2015

De religieuze wortels van het communisme


En weer staat de wereld versteld. De grote leider van Noord-Korea Kim Jung-un heeft een nieuwe heldendaad toegevoegd aan zijn toch al indrukwekkende leven door een berg te beklimmen. Zijn vader Kim Jung-il kon al met drie weken lopen, met acht weken praten en in zijn volwassen leven in minder dan drie jaar tijd 1500 boeken schrijven. Kim Jung-Un zelf kon volgens de officiële schoolboekjes al op driejarige leeftijd autorijden, op negenjarige leeftijd een vaarwedstrijd winnen van professionals en nu heeft hij de hoogste berg in het land beklommen, Mount Paektu.



Verhoudingsgewijs schijnt het laatste wapenfeit van de doorluchtige leider, die met enige regelmaat lastige mensen in zijn omgeving laat executeren, een wat bescheiden prestatie te zijn gezien de wonderbaarlijke krachten die hij en zijn vader in het verleden al lieten zien. Maar de regel bij heilige en mythische personen is natuurlijk dat alles wat zij volbrengen geheiligd wordt juist door hun stralende karakter en aanwezigheid. Het feit dat Kim Jung-un de berg beklommen heeft schenkt meer eer en bijzonderheid aan de berg dan andersom. Het is niet toevallig dat de grote leider na afloop van de beklimming een gevoel had ‘dat sterker was dan nucleaire wapens’. De grote leider is zo geweldig dat hij bijna geen fysieke wapens meer nodig heeft, als het erop aankomt.

Er is in de discussie over de vraag waar de grootste veroorzaker van oorlogen en terreurcampagnes gezocht moet worden vaak geopteerd voor religie als bron van alle kwaad, terwijl anderen daar dan tegenover stellen dat er door atheïstische regimes zoals die van Stalin en Mao nog vele miljoenen mensen meer zijn uitgeroeid. Maar is dat wel zo? In hoeverre kunnen we het communisme -Stalinisme -Maoïsme eigenlijk atheïstisch noemen als atheïsme strikt genomen wil zeggen dat er geen god is en dat er derhalve geen bovennatuurlijke verschijnselen of handelingen kunnen bestaan? Wie de kwalificaties voor de verheerlijkte communistische leiders op een rijtje zet komt al gauw tot de conclusie dat ze meer eretitels dragen dan welke religieuze leider uit het verleden dan ook en dat de wonderen waar hun biografie mee gevuld is exacte gelijkenis vertonen met de legenden die de levens van Jezus of Boeddha omgeven. 

Mystieke symbolen

Toen Kim Jung-Il op een berg geboren werd verschenen er een dubbele regenboog en een nieuwe ster aan de hemel. Zowel de berg is een mystiek symbool (transcendentie) de regenboog (verbond van god met de mens) als de ster (goddelijke hoop) en alle drie komen ze niet alleen in de bijbel voor, maar in de meeste spirituele tradities. Dat Kim Jung-Un kon autorijden op zijn derde vertoont gelijkenis met Jezus die als kind al in de tempel zijn ouders de ware betekenis van religie uitlegde, baby-Krishna die een groot monster kon verslaan, de pijnloze geboorte van Boeddha nadat een olifant zijn slagtand in zijn moeders zij had gestoken, enz. Hoe gekker hoe leuker, want religieuze tradities bestaan vooral bij de gratie van verhalen en in een tijd dat er nog geen computers of Hollywoodfilms bestonden deed men er graag een schepje bovenop. 

Nu is het opvallend dat de neiging naar het fantastische en het bovennatuurlijke ook heel sterk wordt aangetroffen in bewegingen die beweren niet religieus te zijn. Een ideologie als het communisme die zijn wortels heeft in de materialistische leer van Karl Marx, die de ideeën van Hegel pardoes omkeerde door een (opzettelijke) misinterpretatie ervan. Alles wat in essentie de leer van Hegel uitmaakte bleef in het marxistisch-communistische denken bestaan, zoals de noodzakelijke en onafwendbare loop der dingen waarbij de mens als individu slechts een pion was die het historische wereldgebeuren moest ondergaan, het totalitaire aspect van zijn maatschappelijke ideeën en zijn sterk economische en sociale gerichtheid. En daar blijft het niet bij, want als dat alles was dan kon Marx enkel een wat speculatieve filosofische gerichtheid aangewreven worden die hij te zeer materialiseerde om nog filosofie te kunnen heten en teveel politiek maakte om nog als zuiver denksysteem te kunnen gelden. In werkelijkheid was de doorwerking van de bronnen waar Hegel zelf uit putte in het marxistische denken nog veel funester.

Wortels van het Duits Idealisme

Onderzoeken in de tweede helft van de twintigste eeuw over het Duits Idealisme en haar wortels door schrijvers als Ernst Benz en Friedemann Horn hebben aangetoond dat er veel mystieke, esoterische en theologische bewegingen aan de wieg hebben gestaan van het denken van zulke grote geesten als Hegel, Fichte en Schelling. Wat we in de tijd van het Idealisme beschouwen als filosofie kan in veel opzichten omschreven worden als een geformaliseerde en gerationaliseerde vorm van geloof en mystiek die zich academische geloofwaardigheid verschafte door subtiele aanpassingen van de religieus-mystieke aannames van hun voorgangers. De systeemfilosofen verschaften de Romantiek, het idealisme en het mysticisme een rationele basis, maar konden tegelijkertijd zelf nooit loskomen van de speculatieve wortels waar hun  fundamentele ideeën op gegrondvest waren, die op den duur de consequenties van hun eigen denken in de weg zouden zitten. 

Hegel zat samen met Schelling en de dichter Hölderlin op de Tübinger Stift, een theologische opleiding die duidelijke sporen heeft nagelaten in zijn werk. Misschien niet eens zozeer door het aanbod van de opleiding zelf, maar door wat hij daarnaast las, bijvoorbeeld het werk van de middeleeuwse Duitse mysticus Meister Eckhart waar hij helemaal vol van was. Maar nog sterker was de invloed van de eschatologische spirituele theologen Oetinger en Bengel, die een duidelijk historische opvatting hadden van het christelijk geloof, waarbij zij verwachten dat de Gouden Tijd  spoedig zou aanbreken. Het verloop van de geschiedenis was volgens Oetinger ‘progressief’, wat betekende dat elke volgende generatie beter in staat was om de bijbel te ‘ontcijferen’ en daarmee in het boek de tekenen te vinden voor het op handen zijnde gouden tijdperk van het christendom. Deze bewustwording over generaties door de hele geschiedenis heen, die zou moeten leiden tot een uiteindelijke collectieve realisatie waarbij de geschiedenis zelf en het begrijpen ervan door de mens zouden samenvallen, is rechtstreeks in het werk van Hegel terug te vinden, alleen daar heet het ‘filosofie’ in plaats van theologie. 

De almacht van God die zich later vertaald naar ‘Der Geist’ in de geschiedenis die de mensen geheel ondergeschikt maakt aan zijn eigen verwerkelijkingproces, is niets anders dan de goddelijke geest van Bengel en Oetinger die de mens begeleidt naar de uiteindelijke mystieke heilstaat, die ook Hegel verwacht in de fysieke wereld. Want zo speculatief als zijn denken was, hij heeft nooit veel opgehad met de persoonlijke intellectuele of spirituele ontwikkeling van het individu dat zelfstandig tot een bepaald bewustzijnsniveau kan groeien. Alles was in één gesloten systeem even ‘logisch’ als collectief en onafwendbaar en moest zich materialiseren om tot werkelijkheid en bewustzijn te komen. Dat is de grote fout die Marx en Engels maakten toen ze de essentie van Hegels’ werk probeerden te vatten. Hegel heeft nooit beweerd dat de geestelijke realiteit hoger stond dan de aardse werkelijkheid, zodat Marx het Hegeliaanse bouwwerk ‘op zijn kop’ kon zetten. Hegel heeft de opperste realiteit altijd beschouwd als een gelijktijdig tot ontwikkeling komen van het geestelijke en het materiële aspect van het leven, dus er viel helemaal niets om te keren. 

Het Duizendjarig Rijk

Desondanks creëerden Marx en Engels toch een systeem dat dit leek te suggereren en hun ‘dialectisch materialisme’ liep volgens dezelfde lijnen als die van Bengel, Oetinger en Hegel naar een toekomstig Duizendjarig Rijk, in hun geval de communistische heilstaat. Vanaf de vroegste wortels van het communisme is er sprake geweest van geloofsvoorstellingen en de hoop op een gouden tijdperk dat niet lang op zich zou laten wachten. Met alle bewondering die je kunt voelen voor het monumentale karakter van de filosofie van Hegel, de logisch doorgetrokken lijn en de onverzettelijke houding tegenover het ‘emotionele gezwam’ van zijn vaak minder consequente filosofische opponenten, blijft het gedachtegoed toch een groot mankement vertonen op het gebied van de erkenning van de intrinsieke waarde van het individu, precies datgene wat het communisme dat van zijn leer was afgeleid later zo onmenselijk wreed heeft gemaakt.

Het is eigenlijk niet verwonderlijk dat een verpolitiseerde filosofie als het communisme, dat ook nog eens de basis van de ‘verwerkelijking’ van Hegel niet goed begreep -het nog te voltooien filosofische en mystieke proces door de geschiedenis heen waarbij filosofie, kunst en geloof één werkelijkheid waren- uiteindelijk zou ontaarden in een totalitaire religie met een blind geloof in haar leiders als onfeilbaar heilige en mythische figuren. De communistische leiders nemen de plaats in die bij traditionele religies toekomt aan God of aan Christus, met beschrijvingen als ‘eeuwig durende zon’ en ‘onsterfelijke leider’. De blinde onderwerping aan dit verheven gezag is vaak nog beangstigender dan bij de meest strikte en onbuigzame geloofsrichtingen. Hoezeer Hegel ook geprobeerd had om zijn filosofie redelijk te houden en niet toe te geven aan subjectieve impulsen, het bouwwerk dat hij neerzette begon eigenlijk al te wankelen toen hij op het hoogtepunt kwam van zijn filosofische roem. De dialectische ontwikkeling van de Rede scheen bij Hegel zelf tot zijn voltooiing te zijn gekomen, want er was geen ruimte voor de overdenking van de ontwikkelingen na de culminatie van de filosofie in het Duitsland van die tijd. Uiteindelijk was Hegel zelf als ‘staatsfilosoof’ van Pruisen de belichaming geworden van ‘Der Geist’ en de hele geschiedenis leek zich aan hem te onderwerpen. 

Sven Snijer



Literatuur:

-Hegel, Franz Wiedmann
-The Mystical Sources of German Romantic Philosophy, Ernst Benz
-Schelling and Swedenborg, Friedemann Horn
-Leven en leer der grote denkers, Dr.A.Vloemans
-Van Socrates tot Bergson, W. Durant
-De Geschiedenis van het subject (Hegel, Nietzsche), Jeroen Bartels
-Philosophy and Religion in the west, Phillip Cary, The Teaching company