donderdag 14 september 2017

‘Te zwak voor de stoïcijn zijn trots’



‘De mens is gewoon een dier dat rechtop is gaan lopen’ hoor je biologen vaak zeggen. En evolutionair gezien is dat waarschijnlijk ook waar, maar deze wetenschappelijke procesbeschrijving van onze soort wordt door sommige mensen gemakkelijk afgekort tot het reductionistische ‘De mens is een dier’, alsof het wezen dat rechtop is gaan lopen bijna teruggeduwd zou kunnen worden naar zijn vorige status van intelligente aap of aapmens. Het lijkt haast een cynische conclusie, dat de mens ondanks al zijn technologische verworvenheden, kunsten en wetenschappen toch niet veel meer is dan een door hebzucht en geldingsdrang aangestuurd schepsel dat slechts door een dun laagje beschaving en cultuur van de rest van het dierenrijk wordt gescheiden. Ook biologen van de populistische soort dragen bij aan dit idee, door te verklaren dat wereldleiders, bestuurders van grote bedrijven, legeraanvoerders, Nobelprijswinnaars, popsterren, filmsterren en andere beroemdheden uiteindelijk al hun talenten hebben ingezet om op topposities te komen in de samenleving met (onbewust) geen ander doel dan zoveel mogelijk keuze te hebben aan begeerlijke mannetjes of vrouwtjes en uit die ‘genenpoel’ de besten te kunnen kiezen voor een zo gunstig mogelijke voortplanting en daarmee de continuering van zichzelf langs een sterke genetische lijn.

Geestelijk en lichamelijk voortbestaan
 
Dat klinkt op een bepaalde manier geloofwaardig, want we kunnen niet ontkennen dat de mens primaire instincten heeft die hem tot een dierlijk, territoriaal en zelfs moordzuchtig wezen kunnen maken, maar het is de vraag of we voor de identiteit en de levensdrift van de mens terug moeten redeneren naar het voortplantingsniveau. Er is namelijk nog een andere manier om voort te bestaan en een soort onsterfelijkheid te verwerven en dat is door het verspreiden van geestelijke zaden die vrucht dragen in het bewustzijn van toekomstige generaties. De mysticus Jan van Ruusbroec beschrijft in zijn ‘Mystieke zonneloop in de ziel’ hoe in de laatste fase van de geestelijke ontwikkeling er een vermenigvuldiging plaatsvindt van alle geestelijke gaven die in een heel leven zijn opgebouwd: “Door deze mensen en door hun leven en door hun geduld worden alle mensen verbeterd en onderwezen die bij hen zijn. Zo wordt dan het koren van hun deugden gezaaid en vermenigvuldigd ten bate van alle goede mensen.” Veel van wat mensen bereiken in hun leven wordt niet doorgegeven langs de bloedlijn, hoewel het een grote vreugde is voor ouders om iets van zichzelf in hun kinderen terug te zien, vooral als het talenten en ambities betreft die zich op een positieve manier uitwerken en het kind gelukkig maken. Er zijn echter ook genoeg voorbeelden van geniale geesten die vrij talentloos en ongemotiveerd nageslacht op de wereld hebben gezet of in het geval van de monnik Ruusbroec, geen kinderen.

Idealen als bovenpersoonlijke waarden 

Het doorgeven van wie je bent kan via de bloedlijn en via het onderwijzen van anderen. Dat loopt parallel met de twee naturen in de mens; aan de ene kant de dierlijke instincten in ons voor het beschermen van vrienden en familie, onze bezittingen en reputatie en aan de andere kant de intelligentie en creativiteit die zoekt naar bestendiging van ideeën via het doorgeven van kennis en ervaring aan mensen met wie we een geestelijke verwantschap voelen, maar waar we geen stoffelijke connecties mee hebben. Als we zeggen dat de mens een dier is, dan betekent dat ofwel dat we biologisch gezien meer moeite doen voor onszelf en onze naasten dan voor mensen die verder van ons af staan, of dat de mens in werkelijkheid een stuk primitiever en egoïstischer is dan hij zich voor anderen voordoet. Deze biologische verdenking is niet strijdig met het geestelijke principe dat ons motiveert om waarden te zoeken die persoonlijke relaties en belangen overstijgen, zoals nationale trots, culturele tradities, geloofsovertuiging, een politiek ideaal, een beroepsethiek, wereldvrede of een leefbare planeet voor ons allemaal. Er moeten ook factoren in ons leven zijn die de directe omgeving en de ermee verbonden belangen overstijgen naar het algemeen menselijke, anders wordt het leven bekrompen en werken de verworven zekerheden uiteindelijk verstikkend. Op de grens van het persoonlijke en onpersoonlijke is de mens in evenwicht en voelt hij zich in zijn ‘element’.

Jung en de wereldziel 

Het woord element kan op twee manieren worden opgevat; enerzijds betekent het een vergelijking met het dierlijke leven, zoals een vis die in het water in zijn element is, een vogel in de lucht of een varken in de modder. Vanuit de materiële interpretatie is de mens ‘in zijn element’ als hij zijn favoriete bezigheid uitoefent, zoals werken in de tuin, handel drijven, op zee varen, een huis bouwen, maar er is ook een immateriële betekenis van het woord element. Dat vinden we in de terminologie van de oude Grieken die spraken over de ‘essentie’ van het leven als de quinta essentia - het ‘vijfde element’. Hiermee bedoelden ze naast de vier materiële elementen; aarde, lucht, water en vuur het onzichtbare element ‘ether’ dat in de andere elementen aanwezig is en dat heel de wereld doordringt. De ether is verantwoordelijk voor de juiste verhouding van de andere elementen als bezielend en ordenend principe in de levenloze materie. Ook latere mystici erkenden deze ether als een soort ‘wereldgeest’ (spiritus mundi of anima mundi) die de mens in pantheïstische zin verbindt met de wereld waarin hij leeft. De psycholoog William James eindigde meer dan honderd jaar geleden zijn beroemde boek ‘Principles of psychology’ met dit begrip en decennia later kwam Carl Gustav Jung, de bekendste leerling van Freud, hierop terug met zijn theorie van het ‘collectief onbewuste’. Hij zag de Archetypen (oerbeelden) die bij alle volken in alle tijden steeds opnieuw in allerlei variaties verschijnen als het werk van dit ‘vijfde element’ dat hij tevens beschouwde als opslagplaats van alle herinneringen van het menselijk ras tot in de vroegste tijden.

Disseminatie of Archetypen 

De ideeën van Jung werden bestreden door Lord Raglan, die in zijn boek ‘The Hero, A Study in Tradition, Myth and Drama’ beargumenteerde dat de overeenkomst in Archetypen overal ter wereld veroorzaakt kan zijn door natuurlijke verspreiding, door de contacten tussen de volkeren onderling, bijvoorbeeld langs handelsroutes, waardoor bepaalde goden- en heldenvoorstellingen tot in de verste uithoeken van de aarde overeenkomsten hebben. Een combinatie van beiden is echter ook denkbaar; het gemak waarmee de volkeren door de eeuwen heen elkaars goden hebben geadopteerd en vaker nog -vreemde goden identificeerden met hun eigen goden, maar dan onder een andere naam- zou erop kunnen duiden dat er zowel in de collectieve als in de persoonlijke psyche van de mens 'pre-existente' beelden bestaan die herkend en tot leven gewekt worden door de uitbeelding ervan door anderen. Als we uitgaan van een collectief geheugen van de mensheid dan kunnen onze menselijke strevingen niet enkel dierlijk zijn, want onder de laag van persoonlijke neurosen en dierlijke instincten kunnen we in verbinding treden met alle tijdperken van de mensheid die aan ons vooraf gingen. Het instinct is er voor ons zelfbehoud, voor de bescherming van mensen die ons dierbaar zijn en in het algemeen voor onze manifestatie in de wereld en het vermogen om iets te bereiken of te veroveren. Contact met het persoonlijk- en collectief onbewuste verschaft ons zowel inzicht in het verleden (therapeutische integratie) als een blik op de toekomst voorbij onze onmiddellijke belangen en inzichten. De intuïtie is ons ‘vijfde element’ dat ons verbindt met wat we nog niet (onder)kennen, maar waar we een vermoeden van hebben en dat we moeten navolgen om er achter te komen wat het ons zal brengen. Sommigen noemen het ‘je hart volgen’, anderen op god of het lot vertrouwen.

Zuiver intuïtie

Deze spirituele ‘handleidingen’ hebben alle drie hun tegenhanger in de eigen verantwoordelijkheid van de mens. Op de ingevingen van het hart kan alleen vertrouwd worden als de intuïtie niet vertroebeld wordt door onrijpe emoties die de geest eerder verzwakken dan vooruit stuwen. Op god vertrouwen is een advies met de bijsluiter ‘god helpt, wie zichzelf helpt’ en het lot is volgens de Griekse filosoof Heraclitus iets dat zowel van binnen als van buiten komt. Zijn moeilijk te vertalen uitspraak ‘De mens zijn gewoonte is zijn lot’ of ‘de mens zijn karakter is zijn lot’ of zelfs ‘de mens zijn gewoonte is zijn beschermende godheid/ begeleidende geest’ geeft aan dat al in de vroegste tijden de mogelijkheid om je honderd procent te laten leiden door een spirituele kracht betwijfeld werd. Het woord 'gewoonte' of 'karakter' had voor de oude Grieken bijzondere betekenis en later is dit door Aristoteles nauwkeurig uitgewerkt. Het woord 'deugd' zoals wij dat kennen uit de christelijke traditie heeft de morele betekenis van juist gedrag en gehoorzaamheid (aan god en kerk), terwijl het in de Griekse oudheid vertaald werd met het begrip 'talent'. Niet een potentieel talent van een persoon die we als een 'grote belofte' beschouwen voor de toekomst, maar een ontwikkeld en gecultiveerd talent. Een aangeleerde goede gewoonte, waarop we blindelings kunnen vertrouwen. Voor deze 'habitus' moest de mens door filosofisch inzicht -en voorafgegaan door de militaire discipline van het leger- beheersing krijgen over zijn dierlijke instincten, zodat hij ze de baas was en de dierlijke driften, zoals woede, jaloezie en hebzucht hem niet in het verderf zouden storten. 'Alles met mate' was een belangrijke spreuk voor elke Griek die zichzelf als een ontwikkeld mens beschouwde.

Diereneigenschappen als metafoor 

Als ik iemand hoor zeggen dat de mens een dier is, dan vraag ik me af of het twijfel is aan de Logos in ons. Twijfel aan de hogere intelligentie, de Archetypen, de ziel of de god-in-ons, die het vermogen geeft om het dierlijke in ons te temmen en dienstbaar te maken aan onze totale ontwikkeling als mens. Is deze uitspraak het gevolg van de teleurstelling in zichzelf en anderen of komt ze juist voort uit een realistische kijk op het mens-zijn. Het besef dat wij ons niet moeten verbeelden het dierlijke niveau zomaar te kunnen ontstijgen, alsof wij nooit zouden overgaan tot het primitieve en barbaarse gedrag dat we bij anderen waarnemen in oorlogen of bij gruwelijke misdrijven. Is het zelfkennis van de mens die zijn eigen breekbaarheid en feilbaarheid begrijpt en zich niet wil voorstaan op verheven idealen die nog verre van gerealiseerd zijn? Of is het simpelweg de opvatting dat de geest een 'bijproduct' is van de stof, want daar kan ik er geen genoegen mee nemen. Het maakt niet uit of wij een ‘gewilde schepping’ zijn van een vaderlijke god of van een universele Logos die ons spontaan deed ontkiemen, of dat wij het product zijn van een onpersoonlijke evolutie die toevallig menselijk bewustzijn voortbracht. We moeten kijken naar de richting waarin we gaan. Hoewel het dier in ons aanwezig is en de mens ook veel genoegen kan scheppen in identificatie met diereneigenschappen (‘sterk als een beer’, ‘dapper als een leeuw’, ‘sluw als een vos’, 'geil als een bok') heeft het toch een reden dat wij als samenleving een maatschappelijke ordening hebben gecreëerd waarin het onbeteugeld uitleven van al onze primitieve en duistere instincten bij wet verboden is. Wie of wat het in ons is dat de dierlijke driften de ene keer aanmoedigt en de andere keer afremt is iets waar we talloze namen aan kunnen geven, maar het moet iets zijn dat meer is dan een ‘paar ons’ extra hersenen, want een aap die plotseling meer hersenen krijgt -en daarmee aan de geest van de evolutie voorbij gaat-  zou een super-gevaarlijke aap worden en geen raketgeleerde, dichter of componist.

Sven Snijer   

dinsdag 12 september 2017

Verwijderen ’Zuidelijke’ symbolen werkt contraproductief


President Trump kreeg heel wat over zich heen toen hij het plan voor het verwijderen van een beeld van Robert E. Lee, een beroemde generaal van de zuidelijke troepen tijdens de Amerikaanse burgeroorlog bekritiseerde.(1) Hij zou ten onrechte de ‘Founding Fathers’, de stichters van Amerika zoals George Washington en Thomas Jefferson hebben vergeleken met belangrijke leden van de CSA (Confederate States of America) als Jefferson Davis en Robert Lee die zich wilden afscheiden van de Verenigde Staten, omdat ze de slavernij in stand wilden houden die de noordelijke staten juist wilden afschaffen. Hoewel de Founding Fathers weliswaar hier en daar een smet op hun blazoen hadden, bijvoorbeeld omdat een aantal van hen zelf slaveneigenaar was, kan er volgens de meeste historici toch niet getwijfeld worden aan hun heldenstatus in de geschiedenis. Hun goede daden, zoals het vechten voor de Amerikaanse onafhankelijkheid, het opstellen van de onafhankelijkheidsverklaring of de Federalist Papers die de grondslag vormen van de Amerikaanse politieke economie zouden de minder fraaie daden en motivaties overheersen. Er wordt in dat verband gesproken over een principal legacy die aangeeft dat men niet geheel van onbesproken gedrag is maar toch over het geheel gezien goed werk heeft gedaan voor het land. Leden van de Confederatie zoals Robert E. Lee daarentegen zouden nooit iets goeds hebben gedaan. Zij zijn enkel symbool van egoïstische motieven die groot onrecht en menselijk leed wilden verdedigen.

Slavernij en de burgeroorlog

Deze visie lijkt mij wat eenzijdig en gaat voorbij aan aspecten van de zuidelijke levensstijl die niets met slavernij te maken hebben (al valt aan dat verleden duidelijk niet te ontkomen) en dat zijn zuidelijke omgangsvormen, conservatieve waarden en een specifieke muziekcultuur (country & western).(2) Wat opvalt wanneer er gesproken wordt over de Amerikaanse burgeroorlog is dat gemakkelijk wordt aangenomen dat slavernij het belangrijkste thema was van de strijd, maar feitelijk was dat alleen indirect het geval.(3) Veel mensen in het noorden en het zuiden van de Verenigde Staten hebben lange tijd geen probleem gehad met de slavernij, maar omdat het noorden snel begon te industrialiseren kon het zich veroorloven om te pleiten voor afschaffing van de slavernij. Metaalbedrijven, weverijen, slachterijen, wapenfabrieken en andere innovatieve industrie brachten het noorden enorme rijkdom, terwijl het zuiden met haar hoofdzakelijk agrarische economie ver achter bleef. Lange tijd werd er met een politiek compromis gewerkt; het zuiden mocht haar plantages en slaven behouden (en ontsnapte slaven in het ‘vrije noorden’ opsporen en terugbrengen - Fugitive Slave Act), maar in het noorden werd de slavernij afgeschaft. Heel geleidelijk ging het noorden zich principieel keren tegen slavernij, eerst door de activiteiten van protestants-christelijke abolitionisten en later ook door militante strijders als John Brown en de politieke gevolgen hiervan zouden uiteindelijk uitmonden in de Amerikaanse burgeroorlog.

Politieke vertegenwoordiging en belastingdruk

De zuidelijke staten hadden voor hun productie van katoen en tabak slaven nodig en zij voelden zich economisch gepakt door de liberale houding van het noorden. Zij wilden als onafhankelijke staten hun eigen wetten maken en keerden zich tegen de nationale regering vanuit Washington. Dit had o.a. te maken met onvrede over een ingewikkelde kwestie die bekend staat als het compromis van 1874. Veel rijke mensen uit het zuiden trokken naar het welvarende noorden en dit verstoorde het politieke evenwicht, omdat het inwonersaantal per staat bepaalde hoeveel vertegenwoordigers er naar het congres konden worden gestuurd. Het zuiden wilde dat slaven werden meegeteld bij het inwonertal van hun staten, omdat ze dan meer afgevaardigden in het congres hadden, maar ze wensten geen federale belasting over hen te betalen (alleen een bedrag per blanke inwoner). In het compromis dat werd gesloten met het noorden was het zuiden zowel in belastingdruk als in politieke vertegenwoordiging in het nadeel. Zwarte mensen telden bij het samenstellen van het inwonertal per staat en bij de belastingheffing voor 60% mee. Zo moesten de zuidelijke staten meer betalen dan ze van plan waren en verloren ze tevens invloed in de senaat.

Oude culturen en slavernij

De zuidelijke staten hebben zoals bekend de oorlog verloren en de slavernij werd afgeschaft in heel Amerika in 1865. Maar het onderscheid tussen blank en zwart bleef bestaan, want racisme was vrij normaal in Amerika tot in de tijd van Martin Luther King in de jaren zestig. Toen pas begon de echte emancipatie van zwarte mensen, wat wel aangeeft dat het noorden nu ook weer niet zo principieel tegen slavernij en onderdrukking was geweest als sommigen uit de burgeroorlog menen te moeten afleiden. Behalve het element van inkomsten uit slavenarbeid heeft de Amerikaanse burgeroorlog voor de zuidelijke staten ook te maken gehad met de eigen identiteit en politieke zelfbeschikking. Ze wilden zich niet de wetten door het noorden laten voorschrijven, vergelijkbaar met de Amerikaanse staten die zich van het Britse rijk wilden losmaken bij de onafhankelijkheidsoorlog, omdat ze meenden beter zichzelf te kunnen besturen. Natuurlijk is slavenbezit niet het meest eerbare motief om je eigen identiteit en onafhankelijkheid op te bouwen, maar de stadstaat Sparta uit het oude Griekenland waar de Verenigde Staten haar eigen grondwet voor een belangrijk deel van heeft afgeleid was ook berucht om haar grote hoeveelheid slaven (Heloten) die in aantal de vrije burgers veruit overtroffen. Ook het meer culturele en wijsgerige Athene en andere Griekse stadstaten die de bakermat vormden voor de moderne beschaving kenden slavernij. Om het zuiden van Amerika weg te zetten als een slavenhouders-cultuur en net te doen alsof ze niets anders hebben voortgebracht is wat benepen en komt vooral voort uit de onmacht van politiek links om de rechten en positie van minderheden in Amerika echt te verbeteren. Met andere woorden, ze gaan over tot symboolpolitiek als het weghalen van vlaggen en standbeelden.

Symboolpolitiek van Obama

Dat het met de maatschappelijke positie van veel minderheden in Amerika slecht gesteld is bleek uit een documentaire met zanger Harry Belafonte die indertijd samen met mensen als Dr. M.L.King en Sidney Poitier vooraan had gestaan in de strijd voor zwarte burgerrechten. Hij was verbaasd dat er zoveel jaar na dato nog weinig veranderd was en dat veel wijken waar minderheden wonen nog steeds ghetto’ s zijn waar ze niet uit wegkomen. Volgens hem moest de hele strijd opnieuw worden gevoerd.(4) Als voorbeeld geldt het systeem van private gevangenissen die gebaat zijn bij zoveel mogelijk gevangenen, zodat lichte overtredingen als blowen of op straat dealen relatief zwaar bestraft worden en bij herhaling nog stringenter, zodat veel mensen voor kleine overtredingen tientallen jaren achter de tralies zitten. Dit leidt tot een vicieuze cirkel waarbij ook kinderen van opgesloten ouders een slechte start krijgen in het leven. President Obama heeft dit systeem bekritiseerd, maar hij kon het niet veranderen, zoals hij ook het wapenbezit onder burgers niet kon terugdringen ondanks vele bloedige schietpartijen op highschools en universiteitscampussen. Er zijn helaas veel dingen die Obama niet voor elkaar heeft gekregen in acht jaar presidentschap en daarom verbaast het me niet dat hij zijn toevlucht moest nemen tot symbolische daden als het weghalen van de Confederatievlag in Charleston (waarbij hij ‘Amazing Grace’ aanhief) omdat dit de zwarte bevolking teveel zou herinneren aan de periode van de slavernij. En ook aan de wandaden van de Ku Klux Klan die vroeger de gewoonte hadden zwarte mensen te bedreigen of te lynchen. Zij hadden naast brandende kruizen ook de zuidelijke vlag als belangrijk symbool. Veel blanke suprematie-bewegingen gebruiken de Confederatievlag nog steeds als symbool voor hun ideeën, niet alleen om er racisme mee tot uitdrukking te brengen maar ook hun afkeer van de politici in Washington.

Conservatieve waarden

Hoewel niemand kan ontkennen dat de vlag met veel bloedige en bedenkelijke zaken geassocieerd kan worden lijkt het me niet verstandig om de vlag of standbeelden van zuidelijke oorlogshelden in de ban te doen, want voor veel Amerikanen in het zuiden betekent de vlag iets anders dan ‘blanke suprematie’ of de hoop dat de rassenscheiding op een dag terugkeert, zoals bij de extreemrechtse groeperingen. Robert E. Lee is voor de zuidelijken iemand die op de eerste plaats een briljant generaal was die misschien de oorlog wel had kunnen winnen. Hij staat symbool voor het ‘bijna’-gevoel of dat historisch nu kloppend is of niet. Ze begrijpen dat het slavernijverleden niet iets is om trots op te zijn of naar terug te verlangen, maar ze willen wel graag een gevoel van zuidelijke identiteit bewaren. De Amerikaanse burgeroorlog (1861- 1865) was voor Amerika de meest bloedige uit haar geschiedenis, waarbij meer mensen om het leven kwamen dan tijdens alle door de VS gevochten oorlogen bij elkaar.(5) Alleen al vanwege het enorme aantal doden dat de mislukte afscheidingspoging het zuiden heeft gekost lijkt het me verkeerd om weg te poetsen dat het ooit een eigen entiteit is geweest, met haar eigen helden. Het voelt voor mensen in het zuiden niet alsof je hun racisme afneemt als je een standbeeld of een vlag neerhaalt, maar alsof je ze hun identiteit en geschiedenis afneemt, zowel het goede als het slechte deel ervan. En dat kan nooit gunstig uitpakken. Ik denk dat het racisme en extremisme er juist door zullen groeien in een klimaat waarin het wantrouwen jegens de landelijke overheid nooit groter is geweest dan nu. Niet voor niets is er iemand als president gekozen door het volk die bij zowel democratische als republikeinse partijen moeilijk ligt, want ongeacht het feit dat hij uit een welgestelde familie komt schijnt Trump wel 'feeling' te hebben met de gewone man en tegemoet te komen aan degenen die het idee hebben dat ‘die lui daar in Washington’ hen vergeten zijn.

Sven Snijer
  





maandag 11 september 2017

Spuiten en slikken met Veilig Thuis




Maya Angelou zei dat mensen vergeten wat je gezegd of gedaan hebt, maar dat ze nooit vergeten welk gevoel je hen gaf. Bij de uitzending van EenVandaag (1) over Veilig Thuis en vermoedens van Münchhausen by proxy, werd voor veel kijkers die nog nooit met deze organisatie te maken hebben gehad of er zelfs maar van gehoord hebben, duidelijk wat voor een rigide mentaliteit en venijn er onder hun medewerkers te vinden is. Verschillende twitteraars namen het woord ‘eng’ en ‘griezelig’ in de mond en menigeen twijfelde aan de toerekeningsvatbaarheid van de nog op PCF te promoveren vertrouwensarts van Veilig Thuis, Patries Worm. De persoon die naast haar stond was Tanno Klijn, lid Raad van Bestuur van Veilig Thuis, bestuurder Samen Veilig Midden-Nederland (in 2011 acht maanden directeur Jeugdzorg Nederland), maar die trok niet de meeste aandacht. Zijn verhaal was er een uit het boekje van standaardantwoorden bij persvragen over jeugdzorgmisstanden en daarbij kwamen de bekende termen als ‘privacy’ en  ‘complexe zaken’ voorbij waar men zich gewoonlijk achter verschuilt. Ook stelde hij dat er vanuit Veilig Thuis maar weinig zaken worden doorgestuurd naar de Raad voor de Kinderbescherming om de schrik een beetje weg te nemen. Dit gegeven is echter geen teken van mildheid van de organisatie of van secuur onderzoek doen, maar simpelweg een bewijs dat er teveel loze meldingen worden gedaan. Als we dan bedenken dat bij serieuze gevallen van kindermishandeling, zoals huiselijke geweld met politiebetrokkenheid, de route via Veilig Thuis juist een vertraging betekent voor zaken die rechtstreekse bemoeienis van de Raad vereisen in verband met ‘acuut en ernstig gevaar’ voor het kind(2) dan begrijpen we waarom deze organisatie het van speculaties en ongefundeerde beweringen moet hebben.

Drie gevallen in veertig jaar

In de uitzending hoorden we emeritus-hoogleraar kindergeneeskunde Pieter Sauer zeggen dat hij in veertig jaar tijd slechts drie gevallen van Münchhausen by proxy heeft meegemaakt, maar de impliciete- en expliciete beschuldiging van ouders die zouden lijden aan deze aandoening is al een aantal jaar bespeurbaar in talloze AMK (Veilig Thuis)- en jeugdzorgrapporten. Soms is de beschuldiging MBP de directe aanleiding voor een uithuisplaatsing (waarbij het bewijs achteraf gefabriceerd moet worden), maar veel vaker worden er in rapportages suggesties gedaan die wijzen in die richting. Veilig Thuis-medewerkers die door onvoldoende kennis van het zeer zelden voorkomende syndroom niet om de haverklap de term durven te noemen in hun rapporten kunnen er wel naartoe sturen (Sauer:’Ze redeneren naar een bewijs toe’) zodat het er in de rechtszaal bij aanvraag van ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing allemaal heel verdacht uitziet. Vandaar dat in de uitzending één van de vaders een uitspraak van de Veilig Thuis-medewerker aanhaalde: ‘bij de rechter krijgen wij altijd gelijk’. Ze zijn er namelijk gepokt en gemazeld in om bij de rechter de schijn te wekken die moet suggereren dat er sprake is van ernstig en acuut gevaar voor het kind, zelfs als dat er niet is. En om het nog erger te maken zijn er rechters, die wanneer ze bij een aanvraag voor uithuisplaatsing door de Raad voor de Kinderbescherming een juridisch onjuiste grond voorgeschoteld krijgen, eigenhandig de volgens het wetboek vereiste juridische formulering invullen in de toekenning van de machtiging uithuisplaatsing! Dit laat niet alleen zien hoeveel onduidelijkheid er bij jeugdbeschermers bestaat over de wettelijke gronden voor uithuisplaatsing, maar ook hoe weinig rechters de behoefte voelen om die gronden te toetsen.

Nooit het boetekleed aantrekken

Tanno Klijn zei wat we vaak van jeugdzorgwoordvoerders te horen krijgen bij elk misstand en ieder gezinsdrama, wanneer ze met veel moeite tussen hun opeengeklemde tanden door de belofte weten te persen dat ze hun best zullen doen ervan te ‘leren’. Natuurlijk gaan ze ervan leren. Zonder grondige analyse, zonder het boetekleed aan te trekken, gewoon omdat ze het zo sneu vinden dat ouders of door jeugdzorg beschadigde kinderen het ‘zo beleefd hebben’. Het zijn natuurlijk maar subjectieve belevingen al die klachten decennia lang, maar ze zijn heel begripvol en ze staan open voor verbetering. Als we voor elke beterschapbelofte van jeugdzorg honderd euro zouden krijgen, dan hadden we spoedig geen staatsschuld meer. Maar wie het echt bont maakte en werkelijk de overtreffende trap bereikte van meest krankzinnige reacties op falen en machtsmisbruik door jeugdbeschermers, was vertrouwensarts Patries Worm. Zij had niets te maken met het feit dat de moeder van één van de gezinnen al vijf maal door verschillende psychiaters onderzocht was en vrijgepleit van psychiatrische stoornissen en bleef erop hameren dat de diagnose PCF voor het kind geldt. Jeugdbeschermers denken immers altijd aan het belang van het kind, maar het is een beetje onlogisch dat het kind een conditie oploopt met de naam PCF als het daarvoor feitelijk mishandeld moet zijn door ouders die leiden aan Münchhausen by proxy. De ouders hebben de aandoening niet, maar het kind heeft wel het ermee verband houdende trauma. Hoe onredelijk, blind en fanatiek kun je zijn als mishandeling-inquisiteur?

Rioolwater inspuiten

Dat de beide jeugdbeschermers in de studio bijzonder ongemakkelijk werden van de getoonde beelden en de verbijsterende uitspraken die werden gedaan door een vertrouwensarts van Veilig Thuis (‘Ik hoop dat er iets gebeurt, want dan zijn we van de hele discussie af.’ Ziekenhuisarts: ‘Maar het kind mag er natuurlijk niet aan overlijden.’) werd wel duidelijk uit het feit dat mevrouw Worm herhaaldelijk van het onderwerp afweek en over situaties sprak als ‘ouders die hun kind met rioolwater inspuiten’ alsof dat maar iets te maken had met de verschrikkelijke situatie waar de getoonde gezinnen in terecht waren gekomen. Normale mensen die op een vreselijke manier worden bejegend, waarbij jeugdbeschermers hun eigen gelijk en tunnelvisie laten prevaleren boven het oordeel van meerdere onafhankelijke deskundigen en zelfs een tussenvonnis van de rechter. Wat ons ook meteen uit de droom helpt over de geloofwaardigheid van de gebruikelijke verdediging van jeugdzorg dat alle beschermingsmaatregelen door de rechter worden getoetst. Niet alleen toetst de rechter in veel gevallen niet of nauwelijks, maar het komt regelmatig voor dat jeugdzorg zelf zich niet houdt aan de uitspraken van de rechter en bij omgangsfrustratie door één van beide ouders na een ‘vechtscheiding, toelaat dat de ouder die recht heeft op omgang zijn/haar kind maanden of zelfs jaren niet ziet.

‘Diagnostische signalen’

Een andere dooddoener die voorbij kwam was het MDO (multidisciplinair overleg) dat moest suggereren dat er bij jeugdzorg onderling kritisch met elkaar gesproken wordt over een casus, maar als verweer tegen de beschuldiging van ‘tunnelvisie’ is dit niet erg steekhoudend. Tunnelvisie impliceert juist dat iedereen die bij een zaak betrokken is lijdt aan dezelfde beeldvorming in de richting van een van tevoren bepaalde uitkomst. De tunnelvisie zorgt ervoor dat men elkaar niet kan bijsturen in een team, omdat iedereen van hetzelfde last heeft. Bovendien ziet de gedragsdeskundige van jeugdzorg in dit team het kind meestal niet persoonlijk (art. 35 UvB.Wjz) maar gaat hij/zij af op de ‘diagnostische signalen’ die worden overgebracht door de Veilig Thuismedewerker of gezinsvoogd.(3) Wat de ‘samenwerking met ouders’ betreft die eveneens in het studiogesprek naar voren kwam, kan er niet genoeg voor gewaarschuwd worden dat iedere ouder die met jeugdbeschermers te maken heeft nooit op basis van gelijkwaardigheid met ze om de tafel zit, want het belang van het kind wordt veilig gesteld door te taxeren hoe gevaarlijk de ouders zijn. Het feit dat een ‘transparant’ gesprek meteen in een dossier terecht komt dat juridisch gewicht heeft bij een eventuele rechtsgang zou ouders aan het denken moeten zetten.

Veilig Thuis bij je thuis  

Uit eigen ervaring kan ik beschrijven hoeveel vertrouwen men kan hebben in de ‘vertrouwensarts’ van Veilig Thuis, de enige arts in Nederland zonder beroepsgeheim die allesbehalve transparant is naar ouders (tegenwoordig worden ook normale artsen van overheidswege gedwongen hun beroepsgeheim te schenden). Wij kregen zeven jaar terug een casemanager en vertrouwensarts van het AMK (Veilig Thuis) over de vloer naar aanleiding van een zorgmelding gedaan door de school van onze dochter. Ons kind was seksueel geïntimideerd en geslagen door twee zusjes uit een probleemgezin die hierin ook andere kinderen wisten te betrekken en toen wij ons verhaal hierover deden op de school ging niet alleen de school hermetisch op slot (niemand mocht met ons praten) maar deed de interim-manager een zorgmelding onder het motto ‘de aanval is de beste verdediging’. (4) Er kwam geen onderzoek naar eventueel misbruikte kinderen (vier tot zes-jarigen), maar een onderzoek naar ons gezin en het gevaar dat wij zelf vormden voor ons kroost. De school werd ook in het onderzoek betrokken, maar natuurlijk alleen als informant en als ketenpartner van jeugdzorg. Vandaar dat we naderhand in het AMK-rapport lazen ‘Melder is school, dus betrouwbaar.’ Dat wij ons kind na overleg met de leerplichtambtenaar enige maanden thuis hielden, totdat wij een nieuwe school voor haar hadden gevonden was ook een reden om de kindermishandeling ‘bewezen’ te achten, naast het feit dat wij vermoedelijk nog veel ergere dingen op ons geweten hadden.

Hangslot en drogeren

Dat wij van Münchhausen by proxy verdacht werden (of dat in die richting werd gewerkt gedurende het informantenonderzoek) ontdekten we pas vijf jaar later na een uitzending over een moeder met autisme die van MBP beschuldigd werd, tegen het oordeel van meerdere deskundigen in. Maar zover waren we nog niet tijdens het eerste gesprek met de beide dames bij ons thuis. Het gesprek zelf verliep schijnbaar soepel en niets wees erop dat wij ons in die fase al in de gevarenzone bevonden. Wij hadden de hoop dat er een onderzoek zou komen naar alle partijen (ook de school en de andere kinderen, zowel daders als slachtoffers) en we verwachtten begrip van het AMK vanwege het trauma dat onze dochter had opgelopen. De vertrouwensarts vroeg vlak voor de beëindiging van het gesprek of ze nog een extra koekje mocht nemen en wij zijn weliswaar Nederlanders, maar in ‘het belang van ons kind’ kon dat er nog wel vanaf.

Huisarts belt 

De grote schok kwam een kwartiertje nadat ze vertrokken waren en ik een telefoontje kreeg van onze huisarts, die vertelde dat wij ervan verdacht werden onze zoon gedrogeerd te hebben. Hij was die dag niet naar school gegaan vanwege de griep en lag diep te slapen met zetpillen tegen de koorts. De schuifdeur van zijn kamer hadden we met een klein slotje van zo’n vier centimeter afgesloten, omdat anders zijn zesjarige zusje (met autisme) hem de hele dag zou storen en dan kon hij niet rusten. Het slotje was ooit ingevoerd vanwege een tamme muis die met zijn bak zaagsel op het stapelbed stond en we wilden niet dat onze dochter daar voortdurend op zou klimmen. Uiteraard vond de huisarts die vrij snel bij ons ter plaatse was niets bijzonders, buiten het feit dat hij de griep van onze zoon kon bevestigen, maar het slotje op de schuifdeur kwam later in het AMK-rapport terug als een ‘hangslot’ waarmee we onze zoon hadden opgesloten. Het was natuurlijk het makkelijkst geweest als de vertrouwensarts zelf even naar onze zoon had gekeken (zijn ogen checken) om te zien of hij gedrogeerd was, want als Veilig Thuismedewerker ben je ‘expert’ in kindermishandeling, maar het is voor het AMK-rapport veel beter om er een andere arts bij te halen. Door de huisarts medeplichtig te maken aan het mishandelingsonderzoek, zijn er samen met de school en het AMK al drie ketenpartners die de ‘mishandeling’ onderzoeken en daar kun je als ouders niet tegenop. Het is echter in strijd met de normale logica, want huisartsen wordt juist geadviseerd om Veilig Thuis te bellen als ze het zelf niet zeker weten bij een vermoeden van mishandeling…

‘Paradoxale verdenking’

Dit is maar één voorbeeld om te illustreren hoe de ‘samenwerking’ met Veilig Thuis kan verlopen en het kan niet vaak genoeg herhaald worden dat je als ouders geen poot hebt om op te staan. In het civiel recht draait het niet om bewijzen, daar overheersen de vermoedens. De vermoedens van jeugdbeschermers wel te verstaan, niet van deskundigen. Vandaar dat de opgestelde rapporten van Veilig Thuis en de Raad altijd een rode draad volgen van het aaneenrijgen van ‘zorgelijke signalen’ die bij elkaar opgeteld het beeld moeten geven dat er meer aan de hand is. Heel af en toe komen we zelfs het verschijnsel tegen van de ‘paradoxale verdenking’ die inhoudt dat ouders verdacht zijn in de ogen van jeugdbeschermers, juist omdat ze liefdevol en zorgzaam met hun kind omgaan, want dat kan niet kloppen. Iedereen heeft wel eens een ‘offday’ en ouders die steeds geduldig, liefdevol en pedagogisch verantwoord bezig zijn, daar moet iets achter schuil gaan. Dat is de categorie waar Patries Worm waarschijnlijk hoog op gaat scoren, nadat ze is gepromoveerd op één van de meest zeldzame aandoeningen bij ouders. Als eenmaal bewezen is dat er één vader of moeder in Nederland een kind heeft ingespoten met rioolwater dan zullen alle jeugdbeschermers en rechters vanaf dat moment daarin getraind worden. Hoe signaleer je injecties met rioolwater? Kinderen van tachtig kilo met overgewicht, welnee! Volgespoten met rioolwater zul je bedoelen en als het nodig is maakt Veilig Thuis het Rioleringsbeheer ook ketenpartner van het samenzweringskordon rondom ouders, zoals eerder de woningbouwvereniging. Iedere keer dat het rioolwaterpeil met een paar centimeter zakt zijn die Münchhausen-ouders weer met duizenden tegelijk bezig. En ze zullen gevonden worden, want het gaat er niet om of het zo is, maar of ze bij jeugdbescherming dat label op kinderen kunnen plakken en dan hoef je de mishandelende ouders er alleen nog bij te zoeken.

Een paar honderd duizend extra

En dat hoeft niet zo moeilijk te zijn als we recent onderzoek naar kindermishandeling mogen geloven, blijkens een artikel in JeugdenCo. (5) De aantallen vermoedelijke gevallen van kindermishandeling zijn namelijk een klein beetje bijgesteld van zo’n 119.000 duizend bij de laatste twee Leidse prevalentieonderzoeken naar een getal van rond de 650.000 gevallen uit fröbelonderzoek. Ach wat scheelt het, eerst een getal tot op duizend kinderen nauwkeurig en er vervolgens met 531.000 gevallen van mishandeling boven gaan zitten! Gelukkig gaf het artikel wel het advies om ‘genuanceerd’ met de cijfers om te gaan. Je mag er dus een paar honderdduizend naast zitten… En dan te bedenken dat volgens een onderzoek van Maartje Schouten, dat anders dan het laatst genoemde hysterie-onderzoek van 650.000 wel wetenschappelijk gevalideerd is, de werkelijke aantallen kindermishandeling zelfs beduidend lager liggen dan de 119.000 waar in de Leidse prevalentieonderzoeken vanuit gegaan werd. (6) Maar dat hoeft toch niemand te weten? Het belangrijkst is dat iedereen blijft melden. Of er iets gevonden wordt of dat het bij vermoedens blijft, het gaat erom dat ze ouders kunnen dreigen met de rechter en als dat nog niet voldoende is, kunnen ze eraan toevoegen ‘en wij krijgen altijd gelijk’.

Sven Snijer