zaterdag 12 augustus 2017

Peter Prinsen over jeugdzorg - deel 2


Het interview met Huib Struycken getiteld ‘Jeugdbescherming heeft een onderzoeksrechter nodig’ (1) heeft een inhoudelijke discussie op gang gebracht over de rechtspleging in jeugdzorgzaken. Het probleem van de ongecontroleerde stroom van kinderbeschermingsmaatregelen (OTS en UHP) moet begrepen worden tegen de achtergrond van de morele paniek rondom kindermishandeling. Het Nederlands Advocaten Comité Familie- en Jeugdrecht heeft de geschiedenis geanalyseerd die daar een vruchtbare bodem voor vormde. Als aanjager daarvan is een ondeugdelijk wetenschappelijk onderzoek aangewezen. De invoering van een onderzoeksrechter zou een belangrijke maatregel zijn om deze ontwikkeling te keren.

DEEL 2 - MORELE PANIEK

© Peter Prinsen

NACFJ Nederlands Advocaten Comité Familie- & Jeugdrecht

“Met het Nederlands Advocaten Comité Familie- en Jeugdrecht (NACFJ) wil ik het begrip ‘integriteit’ centraal stellen. Integriteit in twee betekenissen. In de eerste betekenis gaat het om het thema ‘Integriteit van het ouderschap’. Daar heeft dat woord de betekenis van onaantastbaarheid, zoals in ‘lichamelijke integriteit’. Integriteit van het ouderschap is een grondrecht dat naar de mening van het Advocatencomité als zodanig in de grondwet zou moeten worden opgenomen, naast de lichamelijke integriteit van de burger. Artikel 11 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.” Daaraan zou een tweede lid moeten worden toegevoegd, luidende: "Iedere ouder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn ouderschap". Dat sluit kinderbeschermingsmaatregelen niet uit, maar het zou wel aangeven wat het gewicht is van wat met zo’n maatregel in het geding is. In de tweede betekenis van integriteit gaat het om Integriteit als onkreukbaarheid, professionele integriteit. Een professional heet integer als hij zijn macht of zijn bevoegdheden nimmer zal gebruiken louter voor eigen gewin ten koste van een ander. Als hij waakt voor belangenverstrengeling. Als hij er geen verborgen agenda op na houdt maar altijd de koninklijke weg bewandelt.

Deze boodschap is natuurlijk op de eerste plaats gericht tot de rechtsplegers (kinderrechters, jeugdbeschermers), maar op de tweede plaats tot de academische gemeenschap. Het is schrikbarend om te lezen hoe in de literatuur voorbij wordt gegaan aan het wezen van het ouderschap. En àls er over ouders wordt gesproken, heeft het alle kenmerken van lippendienst aan het ouderschap als beginsel, om vervolgens zonder enige afweging de meest verstrekkende maatregelen te rechtvaardigen. Maatregelen die het ouderschap als niet-bestaand negeren, alsof kinderen van de Staat zijn. (2) Dat blijkt bijvoorbeeld ook als jeugdbeschermers en rechters in de rechtszaal niet praten over eventuele “beëindiging” van een uithuisplaatsing, maar, godbetert, over “thuisplaatsing”!

Kinderbeschermingsmaatregelen

Het Advocatencomité richt zich heel specifiek op de groep zelfstandige ouders die zich te weer stellen tegen een ongegronde of valse OTS of UHP. Ze moeten er niets van hebben omdat jeugdzorg hun gezin ontwricht. Als jeugdzorg nou iets nuttigs te berde zou brengen dan zouden ze het zelfs nog kunnen omarmen, maar ze hebben al snel door dat ze niets nuttigs kunnen verwachten van de jeugdhulp. Ga maar na: aanvankelijk proberen deze ouders tot overleg te komen en een eigen inbreng te leveren, maar dat wordt gelabeld als ‘niet aanvaarden van noodzakelijk geachte hulp’, als ‘niet coöperatief’. Dat wordt dan een zelfstandige reden om aan te voeren als ontwikkelingsbedreiging van het kind, met uithuisplaatsing tot gevolg. Er komen bij mij ouders uit deze groep die zeggen ‘Ik moet die hulp niet, dat gaat helemaal fout, want het is niet de juiste hulp. De bemoeienis van jeugdzorg blokkeert elke verbetering door hulp die ik zelf zou kunnen inschakelen’. En er zijn ouders uit de hulp vragende groep die vrijgevestigde hulpverleners inschakelen, maar dan een kinderbeschermingsmaatregel krijgen.

Familierecht - de uitsluiting van vaders

“Het Familierecht (echtscheiding, gezagsregeling, omgang) kampt met dezelfde problematiek als het Jeugdrecht: de leugen regeert. Ook daar staan ouders en kinderen buiten de Rechtsstaat. Zij worden uitgeleverd aan hulpverleners. Al jaren kloppen de hulpverleners zich op de borst, wijzend om hun “positief” afgesloten mediaton-trajecten (wat daar ook van waar moge zijn). Dat is onwetenschappelijk. Wetenschappelijke methodologie tracht een voorgestelde of bestaande theorie te ontkrachten (‘falsificeren” heet dat). Zo lang dat niet lukt heb je vermoedelijk gelijk. In het Familierecht gaan de mediators van het omgekeerde uit: niet falsificatie, maar verificatie. Ieder succes is een pluim op de hoed van de aanhangers van de theorie van mediation als remedie voor conflictueuze scheidingen. Gevolg: steeds meer geloof in de theorie, steeds meer van het zelfde. Maar de vechtscheidingen zijn er niet minder om. Gescheiden mensen tellen eigenlijk niet meer mee. Die hebben afgedaan als ouders en daar halen de jeugdbeschermers hun neus voor op, net als voor ouders die jeugdhulp inschakelen. Die zijn al gediskwalificeerd. Ze hebben minachting voor deze ouders. Ook in het familierecht wemelt het van de drogredenen. Neem bijvoorbeeld de vader die zijn kind niet meekrijgt ondanks de zorg- of omgangsregeling. Als vader tegen de wil van moeder zijn kind meeneemt, riskeert hij zowel strafrechtelijke vervolging als onmiddellijk civielrechtelijk optreden van de sterke arm van politie: onttrekking aan het gezag is voorzien van een dubbele sanctie van rechtswege, beide sancties met het kenmerk direct (terugbrenging van het kind door de politie) èn paraat (zonder rechterlijke tussenkomst). Dat zwaard van Justitie doet bij het voorkomen van eigenrichting zijn werk: zelden ontvoert een vader zijn kind.

Maar wie ervoor pleit om ook strafsancties aan moeders op te leggen bij het niet meewerken aan de omgang krijgt te horen:”Maar het is toch niet in het belang van het kind om al die moeders op te sluiten?” Alsof het opsluiten van vaders dat wél is! “Ja maar, strafrechtelijke vervolging (van de onwillige moeder) kan de relatie tussen de ouders verscherpen!” Oh ja? Doet vervolging van de vader dat dan niet? Of er wordt gezegd: "We kunnen toch niet op al die duizenden overtredingen van de omgangsregeling wekelijks de politie afsturen"? Nee, natuurlijk niet. Maar als we de positie van vader net zo resoluut zouden handhaven als de positie van moeder, dan zou het gauw over zijn met die massale overtredingen en evenzo met de noodzaak tot vervolging. De drogreden zit erin dat het preventieve effect van handhaving en daarmee het voorkomen van escalatie over het hoofd wordt gezien.

Morele paniek

Terug naar de praktijk van de kinderbeschermingsmaatregelen. Wat kan toch de verklaring zijn voor de ongecontroleerde jacht op onze kinderen - dat is de vraag waar ik ‘s-nachts van wakker lig. Onze kinderen zijn vogelvrij, de waarheid speelt geen rol, logisch redeneren is afgeschaft, meningen zijn feiten, feiten worden verdraaid, insinuaties overtuigen, verweer wordt zelfbeschuldiging, goed wordt fout en fout wordt goed, kinderen zijn van de Staat, het recht is uitgehold, de wet doet er niet toe. Hier moet iets aan de hand zijn! Wat kan dat zijn, zo’n twee eeuwen na de Verlichting? Drie eeuwen na de heksenprocessen van Salem!

‘Kindermishandeling’ is het woord. Emeritus hoogleraar jeugdbescherming Ido Weijers spreekt van een ‘morele paniek’ - een sleutelbegrip uit de sociologie - die zich in het jeugddomein van ons heeft meester gemaakt. Morele paniek, dat slaat de spijker op de kop. Ik heb die gedachte uitgewerkt en op 20 juni 2017 gepubliceerd in het toonaangevende Nederlands Juristen Blad (NJB-25). Om de morele paniek te verklaren moeten we mijns inziens beginnen bij de opkomende wereldwijde aandacht voor de Rechten van het Kind, kort na de Tweede Wereldoorlog. Die kinderrechtenstroming opende onze ogen voor een geheel nieuw maatschappelijk aandachtsgebied, met tot dusverre nog niet bestudeerde onverwachte nevenaspecten.

Maatschappelijke context

In 1962, dus in een periode met groeiende aandacht voor de Rechten van het Kind, verscheen in Amerika een baanbrekend artikel: The Battered-Child Syndrome (het mishandelde kind syndroom) van de Amerikaanse kinderarts Henry Kempe. Met dit artikel werd “kindermishandeling” wereldwijd op de agenda geplaatst. Het artikel van Kempe was de impuls waardoor de blik van de Overheid werd gericht op het reilen en zeilen binnen het gezin, met name op kindermishandeling.

In 1972, tien jaar na het artikel van Kempe, ontstonden Bureaus Vertrouwensartsen, inmiddels omgedoopt tot Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) of ‘Veilig Thuis’. Het begrip kindermishandeling werd gaandeweg steeds verder opgerekt zodanig dat allerlei gedragingen daaronder worden begrepen die het publiek niet ervaart als mishandeling maar als afkeurenswaardige lifestyle.

Vanaf 1975 worden er campagnes gevoerd om het publiek aan te sporen tot het melden van vermoedens van kindermishandeling. In kranten verschenen reclameboodschappen die deerniswekkende kinderen toonden, op straat verschenen billboards met stereotype beelden van vechtende ouders en op TV verschenen emotionerende tv-spotjes. Ook het feminisme liet zich niet onbetuigd. In 1985 verkreeg sociologe Nel Draijer van het ministerie van Sociale Zaken opdracht voor een groot onderzoek naar seksueel misbruik, een vorm van kindermishandeling. Draijer concludeerde dat 7% van de ondervraagde vrouwen slachtoffer zou zijn geweest van ernstig en langdurig seksueel misbruik met ernstige psychische klachten tot gevolg. Deze bewering wekte ‘Heilige Verontwaardiging’ bij historicus Han Israëls, o.a. vanwege statistische tekortkomingen bij Draijer.

De marketing van kindermishandeling

Het bleef niet bij overheidscampagnes. Er ontstonden ook militante pressiegroepen. In november 2000 ontstond de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) waaraan de naam van psychiater Dries van Dantzig was verbonden, samen met DCI (Defence for Children International). Van Dantzig was een gedreven psychiater met een groot vertrouwen in de maakbaarheid van geestelijke volksgezondheid. De RAAK-groep kreeg vleugels door de grootschalige, aanvankelijk ‘belangeloze’, inzet van massa-communicatiedeskundigen die het thema professioneel gingen “communiceren”. Met de explosieve groei van internet en dito subsidiëring is er aldus een enorme markt ontstaan met een onontwarbare kluwen van lobbyisten.
Ook de wetenschap werd ingeschakeld. De Leidse hoogleraar gezinspedagogiek Rien van IJzendoorn, in 1976 cum laude afgestudeerd in de pedagogiek aan de UvA, in 1978 magna cum laude gepromoveerd aan de VU, in 2004 gelauwerd met de Spinozapremie, kreeg van de Overheid opdracht voor een grootschalig onderzoek naar het vóórkomen van kindermishandeling. De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005) werd geboren. Die studie leverde opzienbarende cijfers op: in 2005 geschat op 102.000 slachtoffers (vijf jaar later in de NPM-2010 op maar liefst 119.000 slachtoffers). Gesteund door dat spectaculaire aantal in 2005 bood RAAK aan Minister Rouvoet een Actieplan aan, die het in 2007 naar de Tweede Kamer zond.

Klusjesman als mishandelingexpert

Er volgden meldcodes, verplichte screening, verwijzingsindex (VIR), Operatie Jong, risicotaxatie-instrumenten, een Academie tegen kindermishandeling met gratis cursussen, een taskforce kindermishandeling, een jaarlijkse Week-tegen-Kindermishandeling en nog ontelbaar vele initiatieven om het kwaad te bestrijden en - vooral - te melden. Een recent voorbeeld van gesubsidieerde private opsporing van kindermishandeling: in april 2017 werd bekend dat de stichting Kadera een subsidie van € 300.000 heeft verworven voor een project om medewerkers van woningbouwcorporaties (van baliemedewerker tot klusjesman) te trainen in het melden van sporen van huiselijk geweld.

Nog recenter: de campagne Week-tegen-Kindermishandeling-2017 werd genomineerd als kandidaat-winnaar van de z.g. ‘Galjaard-prijs’ voor de beste overheidscommunicatie (getal 119.000 gevisualiseerd met de Amsterdam ArenA tribune, 50.000 zitplaatsen en dat dan twee keer). Voortdurend verschijnen nieuwe grootschalige initiatieven - aan subsidie geen gebrek. En in juli 2017 werd bekend dat 13 Rotterdamse schoolbesturen hun ruim 5.000 leerkrachten komend schooljaar laten trainen om signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling eerder te herkennen. De opvolger van RAAK, Augeo, inmiddels een grote commerciële organisatie, gaat dit verzorgen.

Een paar jaar terug ontdekte Jeugdzorg Dark horse het volgende: Op 24 augustus 2012 schonk een ‘anonieme donor’ aan alle 240 samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs, waarbij (7.000 aangesloten scholen) een peperdure LILIANE poppenvilla. Doel: de vroege signalering van kinderen die als ‘stille slachtoffers van geweld ondergronds leven’. (3) De schenking van de villa’s viel samen met de in 2013 ingevoerde Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Hiermee werd aangesloten bij de Regionale aanpak (RAAK-regio’s) kindermishandeling van het Nederlands Jeugdinstituut. Ouders werden niet op de hoogte gesteld van het feit dat dit ‘speelgoed’ in werkelijkheid een instrument voor de signalering van kindermishandeling was. Verschillende ouderorganisaties en platforms tegen misstanden in de jeugdzorg hebben toen de handen ineen geslagen en het hele project werd getorpedeerd door diverse publicaties en brieven gericht aan de scholen die de villa’s in gebruik hadden. De poppenvilla’s worden door de fabrikant niet langer voor dit doel aangeboden. 

Bedrieglijke wetenschap door Spinoza-laureaat

De prevalentiestudies van Van IJzendoorn vormen, met de enorme schattingen van kindermishandeling, de grote aanjager van de morele paniek. Elk nieuw ontwikkeld initiatief maakt bij het aanvragen van subsidie en bij zijn presentatie prominent melding van het fenomenale aantal van 119.000 kindslachtoffers die de raison d’être zouden vormen van hun project.

Maar wat blijkt? De NPM-onderzoeken van de gelauwerde Van IJzendoorn kloppen niet. Anders dan hij claimt heeft hij niet de prevalentie van kindermishandeling onderzocht, maar anonieme vermoedens van anonieme professionals geturfd. In wetenschappelijke termen: zijn resultaten zijn niet ‘gevalideerd’. Hij heeft zijn methode niet geijkt, hetgeen blijkt bij het nalopen van de imposante statistische vertogen. In NJB-25 (20 juni 2017) heb ik het onderzoek gepubliceerd, met de conclusie: het getal van 119.000 slachtoffers is vermoedelijk een factor 10 te hoog is, misschien zelfs een factor 100. En als het begrip ‘kindermishandeling’ terug zou worden gebracht tot zijn oorspronkelijke betekenis dan blijft er vermoedelijk nog minder over.

Het is nu afwachten hoe de reactie van de kindermishandelingslobby zal zijn op het wegvallen van hun wetenschappelijk basis.

In 2004 kende de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aan prof. Rien van IJzendoorn de Spinozapremie toe. Uit de laudatio: “Hij zorgde voor een grondige onderbouwing van de theorie over hoe kinderen hechten aan opvoeders. Ook streefde hij als eerste naar praktijkadviezen die op bewijzen gebaseerd zijn.” De premie bestaat uit een bedrag van 1,5 miljoen euro, geheel naar eigen inzicht te besteden aan nieuw onderzoek. Tevens ontving de laureaat een beeldje van Spinoza. Amper een jaar later publiceerde Van IJzendoorn de gewraakte NPO-2005 studie die fungeerde als aanjager van de morele paniek en die indirect heeft geleid tot een stortvloed van valse aangiftes van kindermishandeling. In 2010 nog eens een vervolg. Alleen al de valse aangiftes hebben gezinnen ontwricht en in rouw gestort. Bovendien werden duizenden kinderen - voor een groot deel onterecht - bij hun ouders weggehaald. Op de Leidse Universiteit is Van IJzendoorn inmiddels in opspraak geraakt als verantwoordelijke voor een slecht werkklimaat, reden waarom hij er al enige tijd niet meer welkom is.

(Einde deel 2)



“De Kinderwetten van 1901 brachten, met de invoering van de Kinderbescherming, cruciale verbeteringen voor het verwaarloosde kind. Maar historici hebben er echter op gewezen dat er een enorm wantrouwen tegen de ouders heerste. Zo schreef de auteur van de Kinderwetten dat er in het hele land streken waren waar „nagenoeg alle ouders te ontheffen en te ontzetten zouden zijn”. 

“Dit wantrouwen jegens ouders gaat gepaard met een streven naar het absoluut willen uitsluiten van risico’s. Deze morele paniek vormt de achtergrond van de invoering van een bonte verzameling screenings- en risicotaxatie-instrumenten. Typerend is hierbij de haast en het gebrek aan weloverwogen maatregelen. Iedereen bedenkt wat, zorgvuldig opgezette en wetenschappelijk begeleide pilots ontbreken, inzicht in ethische en juridische problemen blijft achterwege en de landelijke overheid wacht af.” 

vrijdag 11 augustus 2017

Cliëntenraden - de schoothondjes van Jeugdzorg

Cliëntenorganisaties in de jeugdzorg hebben nooit een vuist weten te maken om het falende systeem van jeugdhulpverlening te verbeteren en de echte knelpunten aan te wijzen, omdat ze haast niet te onderscheiden zijn van het systeem zelf. De belangrijkste kritiek op de jeugdbeschermingorganisaties en inhoudelijke adviezen voor verbetering komen van ouderplatforms en actiegroepen die los staan van deze cliëntenorganisaties en zich rechtstreeks richten tot de politiek en het grote publiek. Uitgaande van de twee deelpopulaties van jeugdzorgouders zoals omschreven door Peter Prinsen (1); de OTS-UHP ouders (beschuldigd van kindermishandeling) en de jeugdhulpouders die aanspraak maken op zorg voor hun kind onder de jeugdwet, is het niet moeilijk te begrijpen hoe dat komt. De cliëntenorganisaties bestaan vrijwel volledig uit de tweede groep van aanspraakmakende ouders; degenen die zich niet in staat voelen zelfstandig hun kind op te voeden en daarbij (vaak structureel) een bepaalde mate van jeugdzorg/gezinshulp nodig hebben. Dit zijn de ouders die vrijwillig met een ondertoezichtstelling instemmen of hun kind uit huis laten plaatsen, omdat de zorg voor hun kind hen boven het hoofd groeit.

Opgedrongen hulp

De andere groep ouders, degenen die van kindermishandeling beschuldigd worden en die zich daar volstrekt niet in herkennen omdat zij menen dat jeugdzorg ‘spijkers op laag water zoekt’ en hulp opdringt -onder dreiging van beschermingsmaatregelen- die als niet toepasselijk en zeer belastend voor het gezin wordt ervaren, zal zeer zelden plaats nemen in een cliëntenraad omdat deze ouders graag zo snel mogelijk van jeugdzorg verlost willen zijn. Zij gaan geen jaren verspillen met het adviseren van een organisatie die zich ten onrechte in hun privésfeer heeft binnengedrongen en waar ze zich met hand en tand tegen moeten verdedigen vaak met grote financiële en emotionele gevolgen. Deze ouders vullen ook geen lijstjes in met cliënt-tevredenheidonderzoeken (UHP-ouders schijnen deze niet eens te mogen invullen) wat het onverklaarbaar hoge cijfer van gemiddeld een 7 of hoger in perspectief zet dat grotendeels wordt toegekend door de aanspraakmakende ouders.(2) Wie de talloze websites en facebookcommunities van jeugdzorgkritische ouders bezoekt kan dat cijfer natuurlijk niet rijmen met hoe er over de hele maatschappelijke breedte wordt gedacht over de kwaliteit van jeugdzorg. Ook de met regelmaat verschijnende berichten in de media over wéér een gezinsdrama zijn niet echt een indicator dat jeugdzorg zijn werk goed doet.

Welwillende en gehoorzame ouders

De misvatting die het moeilijkst te ontzenuwen is voor iedereen die zich met het welzijn van kinderen bezig houdt in de jeugdhulp, het onderwijs, de politiek en de mishandelinglobby is dat jeugdzorg primair zou opkomen voor het ‘belang van het kind’. Dit is niet waar, want de jeugdzorgcultuur is op de eerste plaats gericht op het afdwingen van gehoorzaamheid bij de ouders van kinderen die op de jeugdzorgradar zijn verschenen. Juridisch staat de ondertoezichtstelling op naam van het kind, maar in de praktijk zijn het de ouders die onder curatele staan. De meest welwillende en gehoorzame ouders vindt jeugdzorg in de groep van aanspraakmakende ouders die het minst zelfstandig zijn, vaak worstelend met schulden, alcohol- of drugsproblematiek, een laag IQ, psychiatrische problemen, een eigen jeugdzorg- en instellingsverleden (met hechtingsstoornissen als gevolg) en een lange geschiedenis van hulpverleningsafhankelijkheid. Dit zijn de ouders die aangeven jeugdzorg nodig te hebben en met hen kan jeugdzorg ‘afspraken’ maken. De meer zelfstandige ouders die de jeugdzorgkwaliteit onder de maat vinden en daarbij van allerlei onbewijsbare zaken worden beticht die de gezinsintegriteit bedreigen, ervaren jeugdzorg als een dwangbuis en stellen alles in het werk om onder deze ‘hulp’ uit te komen. Dit is de groep waarvan een ervaren ouderondersteuner enkele jaren terug zei:’Hoe komt het toch dat ouders altijd zo blij zijn dat ze weer van jeugdzorg af zijn?’ Het antwoord laat zich raden; omdat hun kinderen nooit daadwerkelijk in gevaar zijn geweest afgezien van het gevaar van een OTS of UHP-aanvraag door jeugdzorg gebouwd op een stapel van leugens, verzinsels en verdraaiingen.

Kind staat niet centraal

Uit diverse onderzoeken door de Inspectie Jeugdzorg naar gezinsdrama’s komt steeds weer hetzelfde beeld naar voren, de veiligheid van het kind stond niet centraal bij het handelen van de hulpverleners (3). Dat lijkt een paradox, omdat de meldingen bij diverse instanties juist worden gedaan vanuit de zorgen die er bestaan over de veiligheid van het kind. Hoe kan in het daaropvolgende hulptraject voor het gezin de veiligheid van het kind dan geheel buiten beeld vallen? De frustratie die hierover bestaat bij het grote publiek, maar ook bij diverse experts in jeugdzorgzaken laat onverlet dat men nog steeds niet begrijpt dat het niet een kwestie is van ‘eerder ingrijpen’ of ‘beter coördineren’ of het belang van het kind meer centraal stellen, maar een mentaliteitskwestie bij jeugdzorg die scherp onder de loep moet worden genomen. Jeugdzorg verlangt gehoorzaamheid van ouders, of deze nu vrijwillig of onder dwang in hun kaartenbak zijn terechtgekomen. Uit deze gehoorzaamheid leidt jeugdzorg automatisch af dat de kinderen ‘veilig’ zijn en indien ouders de juridische strijd aangaan met jeugdzorg zijn hun kinderen automatisch ‘onveilig’. Uit deze gedachtegang kunnen we het absurde fenomeen verklaren dat er ouders zijn die van jeugdzorg te horen krijgen dat indien zij in hoger beroep gaan tegen een uitspraak, de omgangsregeling met hun kind zal worden ingeperkt of stopgezet, omdat hun juridische strijd ‘belastend is voor het kind’. (Het kind wordt gestraft met minder oudercontact, omdat het wettelijk recht van ouders om in hoger beroep te gaan als een risico-factor voor het kind wordt vermeld in het jeugdzorgrapport). 

Beeldvorming door jeugdzorg

Met deze kinderen loopt het slecht af als hun ouders de juridische strijd verliezen, want niet alleen krijgen ze in de daaropvolgende jaren een minimale omgang met hun ouders, ook de kans dat ze ooit naar huis terugkeren is nihil. Er zijn boeken volgeschreven over dit soort zaken, maar in dit artikel wil ik mij specifiek richten op de groep van aanspraakmakende ouders, degenen die de cliëntenraden bevolken. Dit zijn overwegend de ‘ja-knikkers’ die al heel blij zijn dat ze bij de hoge dames en heren van de sector mogen bijschuiven om ook hun zegje te doen. Dat zegje is meestal een verhaal volgens het stramien ‘goed dat er jeugdzorg is’, want zij hebben totaal geen weet van de schrijnende situaties waarin ouders terechtkomen die geen jeugdzorg nodig hebben, maar die er via een zorg- of Veilig Thuismelding onvrijwillig mee in aanraking zijn gekomen. Ook de jarenlange juridische ellende die deze ouders ervaren (plus het gescheiden zijn van hun kind) valt buiten de waarneming van de zorgafhankelijke groep ouders, die zich 'vriendelijk bevoogd' laat gebruiken voor de jeugdzorg-propagandamachine.(4) Keer op keer presenteert jeugdzorg zichzelf in de media met deze ‘tevreden’ ouders die voornamelijk tevreden zijn op grond van hun weinig kritische vermogen en hun aan de vervolgde ouders tegengestelde belangen. Deze beeldvorming is echter niet het meest kwalijke aspect van de jeugdzorg, al is ze hardnekkig.

‘Afspraken’ met instabiele ouders

Het grootste probleem vormt nog steeds de veiligheid van kinderen, omdat jeugdzorg zoals gezegd onterecht uit de gehoorzaamheid van ouders aan het systeem van jeugdbescherming afleidt dat de kinderen veilig zijn. De zogenaamde ‘afspraken’ die worden gemaakt met ouders die vrijwillig meewerken, betreffen vaak afspraken met drugsverslaafde, alcoholische of psychiatrische ouders. Hoe groot is de kans dat mensen die ernstige problemen hebben met zichzelf zich zullen houden aan de met jeugdzorg gemaakte afspraken? Verslaafde mensen hebben maar één grote ‘liefde’ in hun leven en dat is de alcohol of de drugs. Kinderen komen op de tweede of derde plaats (vaak eerst nog medeverslaafden) dus er kan geen enkele consistentie in de opvoeding of de veiligheidsmaatregelen voor het kind verwacht worden. Het is complete waanzin dat jeugdzorg dit soort dingen zelfs maar probeert! Zodra het vierde blikje bier in het keelgat verdwenen is bestaan er voor moeder geen afspraken met jeugdzorg meer…In de Zembla-rapportage van 7 juni 2017 over de zaak Sharleyne werd duidelijk dat het bewaken van de veiligheid van het (mogelijk door moeder om het leven gebrachte) kind werd toevertrouwd aan de omwonenden. In een zaak waarbij werkelijk alle signalen voor de kindveiligheid op rood stonden ging jeugdzorg niet over tot uithuisplaatsing, maar liet de zorgtaak primair over aan de omgeving (o.a. alcohol- en drugsgebruikers).

‘Gezin was bekend bij jeugdzorg…’

De maatschappelijke reactie bij gezinsdrama’s laat iedere keer opnieuw te weinig kennis van zaken zien bij zowel de leek als de professional. De twee schijnoplossingen van ‘meer geld naar jeugdzorg’ en ‘eerder ingrijpen’ in probleemgezinnen worden respectievelijk vanuit de jeugdsector en de verontwaardigde burgers, politici en mishandelingslobbyisten naar voren geschoven. “Er moet meer ruimte komen voor de professional”, jammert jeugdzorg (dat zogenaamd ten onder gaat aan bureaucratie) en de boze burgers willen samen met doortastende politici sneller en harder interventies bij gezinnen ‘waar het niet pluis is’. De Augeo-Foundation blijft leuren met haar cursussen vroegsignalering van kindermishandeling, zodat er nog meer gemeld kan worden bij de incompetente jeugdbeschermers. Niet dat Mariëlle Dekker onkundig is van het falen van jeugdzorg, maar dat de preventie-maatregelen van jeugdzorg vaak niet werken staat de belangen van haar eigen organisatie niet in de weg.
  
"Het is maar zeer de vraag of het goed nieuws is dat het het AMK vaker lukt om vrijwillige hulp te realiseren. Zolang we niet weten of het in een gezin echt veilig wordt door de hulp die het AMK opstart, is er geen reden tot juichen. Het verbaast mij al jaren dat het AMK, en de jeugdhulporganisaties die zij inschakelen, in hun jaarverslagen nauwelijks verantwoording afleggen over het effect van hun interventies. Daarom weten we niet of mishandelde kinderen, dankzij deze hulp, opgroeien in een veiliger gezin en of zij wel herstellen van de ontwikkelingsschade die zij door het gezinsgeweld hebben opgelopen.”(5)

Overdrijving van risicofactoren

Dit gaat gedeeltelijk over de echte probleemgezinnen waarbij het jeugdzorg niet lukt het ‘geweld’ in het gezin te stoppen en in de meeste gevallen geen traumaverwerking voor de kinderen regelt die in deze gezinnen onder jeugdzorgbegeleiding moeten leven. Mevrouw Dekker zou liever zien dat in bepaalde gevallen eerder tot uithuisplaatsing wordt overgegaan dan maar te blijven aanmodderen in een hopeloos gezin. Hierbij kunnen twee kanttekeningen worden gemaakt. Als het huiselijk geweld (en het gevaar voor het kind) echt ernstig is dan moet dit per definitie leiden tot een uithuisplaatsing, want de wetgever spreekt over ‘acute en ernstige bedreiging van de kindveiligheid’ als basis voor een uithuisplaatsing. Dat dit vaak niet gebeurt kan duiden op de spreekwoordelijke jeugdzorg-overdrijving van risico-factoren, die vooral bedoeld zijn om een OTS in de wacht te slepen (€7.700 per kind, per jaar). 

Als een gezin echt disfunctioneel is hoeft er geen jaar of twee jaar gewacht te worden met een uithuisplaatsing, want zoiets blijkt al veel eerder. Een verlate uithuisplaatsing zal vaker te maken hebben met de weigering van ouders om zich nog langer te onderwerpen aan het jeugdzorgregime dan met ernstige bedreiging voor het kind. Daarbij komt dat kinderen die werkelijk groot gevaar lopen in de thuissituatie ook in een instelling of pleeggezin lang niet altijd veilig zijn (misbruik) of een goede therapeutische behandeling krijgen. Ernstig gestoorde jongeren met misbruikverleden kunnen zonder bijbehorend dossier in een pleeggezin worden gedropt en pleegouders moeten zelf maar uitzoeken wat er met het kind aan de hand is. Ook instellingskinderen met misbruikverleden blijven vaak jarenlang zonder behandeling, want het primaire doel van een uithuisplaatsing is ‘tot rust komen’ of ‘hechten in het pleeggezin’.

Kritische cliëntenraden

De weinige echt kritische leden van cliëntenraden sorteren met hun welgemeende adviezen en kritische noten vaak niet het effect dat verwacht mag worden van een hulporganisatie die zegt de cliëntrelatie hoog in het vaandel te hebben. De oud-voorzitter van cliëntenraad Jeugdzorg Haaglanden/ Zuid Holland stapte op toen hij moest concluderen dat er van de gemaakte afspraken met betrekking tot ‘machtsmiddelen’, dossiervervalsing, onheuse bejegening en het geplande ‘oplossingsgericht werken’ in de aanloop naar de Transitie weinig terecht kwam. Over de bejegening schreef hij in ‘Mijn statement’:

“In interviews en gesprekken, worden sommige ouders vernederd en soms ook gekleineerd. Zelfs een hond wordt soms beter behandeld. Eerder genoemde kritische houding van ouders wordt gelijk afgestraft met een opmerking dat de hulpverlener 'geïntimideerd' wordt. Mij lijkt het eerder een uiting van een teken van laag niveau van assertiviteit van de hulpverlener of zich slecht kunnen inleven in de positie van de cliënt.”(6)

De Cliëntenraad van jeugdzorg Gelderland noemde in december 2012 een notitie van Bureau Jeugdzorg over het opnemen van gesprekken door ouders zorgelijk, omdat het advies ‘negatief’ en ‘repressief’ overkwam. Cliënten wensen vaak gesprekken met Bureau Jeugdzorg op te nemen, vanuit de ervaring dat de verslaglegging van zulke gesprekken niet altijd zorgvuldig gebeurd en gegevens onvolledig of onjuist worden weergegeven. Jeugdzorg zou ‘te bang zijn voor haar eigen positie’. De Cliëntenraad vond het opmerkelijk dat Bureau Jeugdzorg de aanname heeft, ‘dat de opnames vrijwel altijd ten nadele van jeugdzorg Gelderland zullen werken’. Verder vermeldde de cliëntenraad dat uit cliënt-tevredenheids-onderzoek bleek dat ‘vaak bij de intake-gesprekken al wederzijds wantrouwen ontstaat tussen BJz en cliënt’.(7)

Hetzelfde doel?

Dit soort intelligente en goed onderbouwde kritiek kan van de meeste cliëntenraden helaas niet verwacht worden. Niet voor niets worden zij door veel jeugdzorgouders die strijden tegen de misstanden vaak gezien als het ‘meubilair van jeugdzorg’ zonder onafhankelijk oordeel. Discussies over ‘waarheidsvinding’ georganiseerd door het LOC (Landelijke Organisatie Cliëntenraden) blijken door een opvallend klein aantal mensen bezocht te worden die begrijpen wat er juridisch op het spel staat voor ouders en waarom men ver weg moet blijven bij het moeras van drogredenen waarin de jeugdbeschermers zich zo graag verschuilen wanneer kritiek hun kant opkomt. In plaats van de aanklager van jeugdzorg, lijken ze eerder partner en verdediger te zijn van het gevoerde beleid (zelfs advocaten die beweren dat ‘de waarheid’ niet bestaat, zodat jeugdzorg naar hartenlust kan speculeren) altijd in de veronderstelling verkerend dat we uiteindelijk allemaal de veiligheid en gezondheid van kinderen voor ogen hebben. Niets is minder waar, omdat het organisatie- of instellingsbelang vaak vóór het belang van het kind gaat en de juridische werkelijkheid bij jeugdzorg het hele hulptraject in gijzeling neemt, of de kinderen daar nu veiliger door opgroeien of niet.

Sven Snijer 



(2)Oud-voorzitter van de cliëntenraad HGL/ZH René Bommelé over de cliënttevredenheidsonderzoeken:

'Van de 5000 interviews die verstuurd waren kwamen er maar een kleine 200 terug. Laten nu juist dat diegenen zijn die een voldoende gaven. Ik heb toen gevraagd of ik zelf een onderzoek mocht doen om te zien waarom de andere cliënten de enquête niet hadden ingevuld, maar dat werd resoluut afgewezen.' (11 augustus 2017).

(3)https://zembla.vara.nl/nieuws/de-zaak-sharleyne



zaterdag 5 augustus 2017

‘Too much love will kill you’



Sarah (13) loopt terug naar de fiets vanaf speelweide het ‘Woeste Westen’ nadat ze een half uur eerder bij boerderij Westerpark is geweest waar ze de kalfjes heeft geaaid, de ezel en de geiten. Plotseling betrekt haar gezicht en zegt ze ‘Mama, ik heb weer een kutdag gehad!’ Ze spreekt in haar autistische ‘codetaal’ en zegt precies het tegenovergestelde van wat ze bedoelt. Het was juist leuk, te leuk! Ze kan haar gevoelens niet bevatten en er geen uiting aan geven, daarom is het maar het beste als het object van haar liefde heel ver bij haar vandaan blijft. ‘Ik vind het een rot-pony, mama. Ik wil hem nooit meer zien! En die geiten haat ik ook.’ Ze doorloopt haar hele dissociatieve repertoire en vertelt welke dieren ze nooit meer wil zien of aaien en zelfs wat ze hen zou willen aandoen. Aan het eind ervan, stelt ze opnieuw dat ze een vreselijke dag heeft gehad en dat ze liever thuis was gebleven.

Mama probeert te helpen bij de complexiteit van haar gevoelens en stelt oplossingen voor;‘Misschien was het allemaal wel te leuk vandaag en moet je eerst even tot rust komen en nadenken over wat je allemaal gezien en gedaan hebt.’ Sarah reageert afwijzend. ‘Nee, het was gewoon een rotdag. Ik haat die beesten.’ Moeder vraagt voorzichtig of het beter zou zijn om de pony en de ezel maar even te vergeten en dan later nog eens terug te komen. Dat vind Sarah wel een acceptabel idee, voor het moment. De dieren gewoon even niet zien. Op weg naar huis tijdens het fietsen heeft ze spijt van haar eerdere uitlatingen. Ze huilt als ze zegt ‘Ik had niet zulke erge dingen moeten zeggen over de pony, want hij is wél lief.’ In een moment van openhartigheid en uitgestelde zelfkennis verklaart ze haar diepere gevoelens. ‘Ik had hem zo graag langer willen aaien en hem liefde willen geven. Ik wou dat ik hem mee naar huis kon nemen, maar dat gaat niet.’ Vijf minuten later slaat haar stemming alweer om en heeft ze er ‘helemaal geen spijt van’, want het is gewoon een ‘rotbeest’. Toch vind ze het ook wel een beetje jammer dat de pony niet op het balkon kan wonen en dat ze thuis geen stal heeft. Geleidelijk komen de extremen van haar liefde en haat weer tot een stabiel midden en bij thuiskomst zijn haar verdriet en boosheid weer wat gezakt.

Bij autisme en ‘overprikkeling’ denken we vaak aan situaties waarbij de zintuigen van het kind overbelast raken door teveel beelden, geluiden of massa’s mensen die het kind overstuur kunnen maken, zoals op een marktplein, een kermis, een schoolfeest of een carnavalsoptocht. En ook aan onverwachte situaties en gebeurtenissen die de rituelen van het autistische kind doorbreken waardoor het zich onveilig voelt in een wereld waarin het minder sociaal vaardig is dan anderen. Maar er is nog een ander, veel subtieler aspect bij autisme dat onze aandacht verdient en dat is de emotionele intensiteit waarmee het kind dingen kan beleven, waarvoor het geen uitlaatklep heeft. Een rustige weide met boerderijdieren waar het kind regelmatig komt en waar het zich veilig en vertrouwd voelt kan evengoed een overdosis geven van een emotie die voor grote problemen kan zorgen achteraf; geluk!

Het heeft lang geduurd voordat mijn vrouw en ik het verband begonnen te zien tussen leuke en harmonieuze gebeurtenissen eerder op de dag en hysterische agressieve uitbarstingen van ons kind in de middag of tegen de avond. Schijnbaar zonder reden werd de huiselijke vrede dan verstoord en veranderde een prima verlopen dag opeens in een oorlogsgebied. Geen idee welk ritueel we over het hoofd hadden gezien of welke ‘fout’ we hadden gemaakt in haar autistische belevingswereld. Tot we ons begonnen af te vragen of ons kind misschien een overdosis blijheid had ervaren die dag en een hele lading van onuitsprekelijk geluk mogelijk op het punt stond van uitbarsten. Kijkend naar de wilde blik in de ogen van onze dochter die nergens houvast wist te vinden, terwijl ze bezig was haar ouders -haar enige helpers- van zich af te stoten en uit te dagen, was het noodzakelijk om die optie serieus te nemen en te proberen daar iets aan te doen.

Aanraking werkte het beste in momenten van grote stress. Zachtjes haar rug aaien en alles bevestigen wat ze huilend aan onsamenhangende en tegenstrijdige dingen uitkraamde om bevrijding te vinden van de ondraaglijke last van haar ‘grand amour’ (een hondje, een pony, een ezel). Ze moest eerst haar lichaam weer voelen, zichzelf terugvinden, de tegenstrijdigheid snappen van de liefde en de haat die ze tot uitdrukking bracht (de pony kon niet gelijktijdig ‘lief’ en ‘gemeen’ zijn) en vooral leren geduld te hebben met zichzelf. Weten dat er morgen een nieuwe dag is met nieuwe kansen om te bewijzen dat vandaag maar een kleine vergissing was. ‘Vandaag ging het even niet zo goed hè, mam?’ Moeder haalt haar schouders op en laat haar open handen zien. ‘Jammer, …kan gebeuren. Morgen zijn de geiten en de kalfjes er weer en de pony en de ezel….Maar misschien is ‘morgen’ nog een beetje te vroeg. Volgende week zijn ze er vast ook nog wel en dan zijn ze nog blijer om jou weer te zien!’

Sven Snijer