woensdag 5 november 2014

Het zal je zoon maar wezen!

We hebben staatssecretaris Martin van Rijn het afgelopen jaar met de voorbereiding op de Transitie al leren kennen als de grootmeester van de nietszeggendheid, maar sinds gisteravond heeft hij ook een reputatie gevestigd op het gebied van de ruggengraadloosheid in een gesprek met Jeroen Pauw (1) en een vertegen-woordiger van de cliëntenraad van 
                                                                verzorgingstehuis WZH.

Zelden zien we iets op televisie dat zo tenenkrommend is als Van Rijns optreden in deze uitzending, naar aanleiding van een artikel in het Algemeen Dagblad waarin onder meer de vader van de bewindsman was geïnterviewd over het gebrek aan zorgkwaliteit in de instelling. De ‘kampioen van het Vergeten kind’, zoals de staatsecretaris zich mag noemen sinds zijn handdruk met de zanger Dinand Woesthoff (2), is bepaald nog niet de kampioen van de noodlijdende ouderen, zo bleek. Ook niet als het over zijn eigen vader en moeder gaat.

Het artikel in het Algemeen Dagblad (3) onthulde dat in het verzorgingstehuis WZH dementerende bejaarden twee uur per dag zonder begeleiding zijn en dat dit een structureel probleem is. Dit is al vaker door de cliëntenraad aangekaart, maar er verandert niets. Tijdens een bezoek van de pers aan het verzorgingstehuis over recreatieactiviteiten, liet één van de familieleden van een cliënte (de vader van Martin van Rijn) zich ontvallen dat de zorg in de instelling te wensen overliet en het gevolg hiervan was het bewuste artikel in het AD. Een spontane gebeurtenis die grote gevolgen had toen alle media de berichtgeving overnamen, omdat het, zoals later pas bleek, de vader van de staatssecretaris van VWS betrof. Een kwestie die zijn eigen ministerie aangaat dus en waar hij samen met de minister zelf eindverantwoordelijk voor is. Je zou zeggen, zo’n kwestie bestaat niet lang meer als de grote baas in Den Haag ervan hoort, wanneer het zijn eigen ouders betreft. Maar dan moet die baas wel enig persoonlijk gewicht in de schaal leggen en dat was nu net het probleem.  

Je hoort kritische burgers die zich ergeren aan politiek wanbeleid of regelrechte onverschilligheid van bestuurders bij grote maatschappelijke misstanden, vaak zeggen dat wanneer de bestuurders het zelf eens een keer moeten meemaken, ze wel anders gaan piepen in plaats van steeds maar loze beloften te doen, in te dure bewoordingen. Maar daarop is deze staatssecretaris de spreekwoordelijke uitzondering. 

Ook als van zijn eigen moeder de luiers niet op tijd verschoond worden en bij haar, zoals het artikel vermeldt ‘de urine langs haar enkels loopt’, vertrekt de beste man geen spier. Hij had een beetje weg van een directeur van een reisorganisatie, die in een consumentenprogramma moet verschijnen omdat er klachten zijn over een te lage uitkering van de verzekering bij een tegenvallende vakantie. ‘Het is spijtig dat het zo gegaan is, maar we zullen er nog eens serieus naar kijken’.

Van Rijn had twee methoden in stelling gebracht in de uitzending om zijn gezichtsverlies enigszins te beperken; het vluchten in algemeenheden en het inspelen op het sentiment van de wat minder ontwikkelde kijker. Als eerste probeerde Van Rijn te ontkennen dat zijn vader onvrijwillig een zorgtaak op zich had genomen, omdat het verzorgingstehuis structureel in de zorg tekortschoot en suggereerde hij goedhartigheid.

Jeroen Pauw:’Dementerende bejaarden die uren op een dag, structureel niet begeleid worden, dat er niemand is, dat uw vader er dan maar zelf gaat zitten en die zegt: ‘Ze noemen mij de oppasser’. Van Rijn:’Dat doet hij overigens heel graag en dat wil hij ook heel graag, trouwens.’ Jeroen Pauw:’Maar goed, hij doet dat niet omdat het een vervulling van zijn hobby is, hij doet dat omdat er niemand anders zit.’ Van Rijn:’Hij doet het uit liefde.’Jeroen Pauw:’Hij doet dat omdat er niemand anders is.’ Van Rijn:’Hij doet het uit liefde en als er niemand anders is, dan uh, heeft hij.., vervult hij ook de oppastaak. Maar uh, hij zit daar niet omdat hij het niet uit liefde doet.’

Een overdaad in het gebruik van het woord ‘liefde’, waarmee de staatssecretaris probeerde te verhullen dat zijn vader het wel moet doen, met of zonder liefde, omdat er eenvoudigweg geen personeel is in het verzorgingstehuis tussen 14.00 en 16.00 uur! Een paar maal zei Van Rijn tijdens het gesprek dat hij de tekortschietende zorg meerdere malen met zijn vader besproken heeft, maar dat heeft klaarblijkelijk helemaal niets uitgehaald, want de situatie bestaat nog. Waarom het niets heeft uitgehaald blijkt uit zijn nadere verklaringen over hoe hij zijn eigen functie als bewindspersoon ziet. Hij wil graag een ‘staatssecretaris voor iedereen’ zijn en niet speciaal voor zijn eigen ouders. Met andere woorden, het was te veel moeite of hij vond het niet gepast om zijn eigen functie in de strijd te gooien om het bestuur van de instelling even te doen sidderen, zodat ze eindelijk eens de handen uit de mouwen steken om wat aan het probleem te doen. Alsof het om de hoogste mate van belangenverstrengeling ging, bleef Van Rijn het probleem als privé beschouwen en deed hij zijn best om geen vieze handen te krijgen. Wel kon hij zijn vader vanaf de zijlijn aanmoedigen om zitting te nemen in de cliëntenraad van de zorginstelling. Een dapper advies, waar zijn vader gehoor aan gaf.

Aangezien de cliëntenraad ook niet functioneerde, met eens per twee maanden een beetje inspraak waar vervolgens niets mee werd gedaan, volgens de aanwezige vertegenwoordiger van de cliëntenraad, de bejaarde meneer Oude Nijhuis, werden er dan tenslotte -eigenlijk bij toeval- de media bij betrokken. Wie weet hoe lang deze toestanden nog onopgemerkt waren gebleven voor de buitenwereld, als dit niet was gebeurd, want zoals bij de meeste zorginstellingen zaten ze bij WZH ook niet om deze aandacht verlegen! 

Ze waren bij de uitzending van Pauw niet aanwezig, maar maakten zich er vanaf met een schriftelijke verklaring om niet op individuele zaken in te willen gaan. Een reden temeer om juist wel in de uitzending te verschijnen, want het ging immers over structurele kwesties. Maar misschien vond de leiding van de instelling het wel overbodig, omdat ze in de staatssecretaris al een prima advocaat hadden, die de zaken voldoende wist te bagatelliseren.

De vlucht in algemeenheden uitte zich op een paar manieren, waarbij het vooral opviel dat Van Rijn zich ‘geïnspireerd’ had gevoeld juist door zijn ouders en dit soort kwesties, om de politiek in te gaan. Met name de combinatie van het misplaatste woord ‘geïnspireerd’ als je het over misstanden hebt en het glunderende gezicht van de staatssecretaris wanneer hij het over zijn toetreding tot de politiek had, gaf mij als kijker een vervelende kramp in de maag. Het liefst praatte Van Rijn in het geheel niet over zijn ouders, uitgezonderd het feit dat zijn vader zo’n lieve man was- en stortte hij zich met graagte op de levenloze onderwerpen als het beter organiseren van de zorg, schaalverkleining, beter opleiden, enzovoorts. Bij ieder concreet gegeven dat naar voren werd gebracht door Pauw of meneer Oude Nijhuis, kwam hij niet verder dan het intrappen van de zoveelste open deur, zoals ‘dat is niet de bedoeling’, ‘dat zou niet zo moeten zijn’ of een bijna aandoenlijk ‘Nou, dat weet ik niet…’(Nee, en daarom vertellen ze het nou juist, Martin!).  

Een andere uiting van de vlucht in algemeenheden, was een verhaal zonder enige clou, over de betekenis van verzorgingstehuizen vroeger en nu, waarbij wederom de zaken in de huidige tijd -en met name de kabinetsmaatregelen in de zorg voor ouderen- verkeerd werden voorgespiegeld. 

Mensen zouden graag zelfstandig willen blijven wonen en helemaal niet meer in een verzorgingstehuis willen, maar in werkelijkheid worden de bejaarden er gewoon uitgegooid of gedwongen langer thuis te wonen.Ook de bekende Jeugdzorgtactiek, van het spreken over alle gevallen waarin het wel goed gaat, wanneer er over een schrijnend geval in de media wordt bericht, werd door Van Rijn toegepast toen hij opnieuw werd aangesproken over de klachten die door zijn vader tegen de instelling waren geuit. De staatssecretaris noemde een paar keer dat zijn vader over het algemeen heel tevreden was over het verzorgingstehuis, maar dat hij op onjuiste zaken heel ‘oplettend was’. Noem het rapporteren over de volstrekte afwezigheid van personeel maar oplettend!

Deze algemene tevredenheid werd door meneer Oude Nijhuis overigens betwijfeld, want hij kwam dagelijks in de instelling en besprak zijn zorgen regelmatig met de vader van Van Rijn. Van Rijn ging op zeker moment op de kinderachtige toer, door te beweren dat hij zijn eigen vader beter kende dan de collega en vriend in de cliëntenraad, waarmee de discussie werd verlaagd tot een ‘welles-nietes’-spelletje. Ook de bewering van meneer Oude Nijhuis dat Van Rijn Sr. ‘op zijn nummer was gezet’ door de instelling vanwege het mediaverhaal, wees Van Rijn van de hand; ‘Dat is niet waar’. Zijn vader zou een ‘goed gesprek’ hebben gehad met de directeur. Maar meneer Oude Nijhuis ging verder en vertelde dat ook hijzelf door de instelling werd gehinderd bij het naar buiten treden met zijn verhaal. Een familielid van de man, zou door de instelling zijn gebeld om te voorkomen dat hij bij Pauw zijn verhaal ging doen. Zijn verhaal komt helaas heel betrouwbaar en herkenbaar over, want het is in de lange geschiedenis van misstanden in verzorgingstehuizen en instellingen in ons land nooit anders geweest, dan dat personeel of familieleden van cliënten werden bedreigd als ze aangaven de media te gaan inschakelen.

Maar voor Van Rijn was dit kennelijk nieuws. Verder dan aan te geven dat hij daar niet van wist kwam hij niet en wie hoopte op onmiddellijke actie om tot op de bodem uit te zoeken waarom bejaarde familieleden onder druk gezet worden om te zwijgen over misstanden in de zorg, kwam bedrogen uit. De staatssecretaris wist het gewoon niet…Hij bleef verder van mening dat ‘We’ iets moeten doen om ‘De zorg’ te verbeteren, maar hoe het verder moet met de bewoners van de bewuste WZH-instelling, dat vragen we maar aan de kaboutertjes. 

Meneer Oude Nijhuis wist als laatste nog te vermelden dat hij en ‘collega’ Van Rijn senior, zich de volgende dag moesten verantwoorden in een extra cliëntenraadsvergadering, over waarom ze naar de pers waren gestapt. Hierop veerde Van Rijn heel even overeind en kreeg hij een stoere blik in zijn ogen, zoals een jongetje die net zijn nieuwe ridderharnas uit de speelgoedwinkel heeft aangetrokken. ‘Nou ik denk dat mijn vader geen uitleg gaat geven, maar gewoon gaat vertellen hoe het zit. Dat ben ik van hem gewend, dat heb ik van hem geleerd’. En met die laatste opmerking werd ik enorm gerustgesteld, want tenminste hebben we in dit land nog bejaarden met ruggengraat.

Sven Snijer