donderdag 23 februari 2017

De Transitie moddert lekker verder…

Wat waren de dames en heren politici toch weer lief voor zichzelf tijdens het Algemeen Overleg jeugdzorg (23 febrauri 2017) waar de problemen met de jeugdhulp onder regie van de gemeenten werden besproken.(1) Problemen die deels al bestonden vóór de Transitie een feit was, maar die voor een groot deel juist zijn gecreëerd door de Transitie of de Decentralisatie zoals het gedrocht ook wel wordt genoemd. Na twee jaar jammerlijk falen van de jeugdhulpverlening op gemeentelijk niveau horen we nog steeds dezelfde geruststellende woorden terugkeren tijdens het overleg ‘We zijn nog maar net bezig met de transitie…’ Het zou meer in overeenstemming zijn met de torenhoge verwachtingen waarmee de Decentralisatie in 2015 van start ging als de Kamerleden hadden gezegd ‘We zijn al twee jaar aan het aanmodderen met kinderen en hun ouders, maar veel beter is het niet geworden!’ Natuurlijk werd wel even aangestipt dat er ‘iets’ moet gebeuren aan de kwaliteitsverbetering van de wijkteams (Staatssecretaris Van Rijn:’Kijken wat wél werkt, en wat niet werkt’) zonder de enige maatregel te noemen die echt resultaat zou kunnen geven; het stationeren van diagnostische zwaargewichten in de toegangspoort. Dit zou meer kwaliteit opleveren en bij ouders veel zorgen wegnemen als een universitair geschoold persoon de regie voert.

Wederom moesten we vergeefs wachten op de politicus die in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk zou maken dat juist dit centrale onderdeel - het hart van de Transitie- niet naar behoren functioneert en dat daarom alle doelstellingen van preventie en besparing onmogelijk gerealiseerd kunnen worden. Zoveel boetedoening was teveel gevraagd voor Kamerleden die nog worstelen met het gegeven in hoeverre je een hulpvraag eigenlijk mag beoordelen als een sociaal probleem. Want dat je een gezinsplan niet opstelt voor een normaal functionerend gezin dat een kind heeft met kindeigen problematiek, dat begrijpen ze natuurlijk wel, maar waarom moeten dan alle gezinnen met een normale hulpvraag langs de sociale wijkteams worden geloodst om overal in ons land kindermishandeling te signaleren en de jeugd-ggz hulp af te remmen, want dat impliceert toch dat veel hulpvragen juist wél met sociale disfunctionaliteit te maken hebben?

Instanties die dreigen

Het is onwaarschijnlijk dat ouders die zichzelf serieus nemen langs een Sociaal Wijkteam gaan, omdat ze daarvoor teveel zelfrespect hebben en de hulp aan hun kind graag in eigen hand houden via de huisarts en het is even onwaarschijnlijk dat een Tokkie-gezin naar het Sociale Wijkteam gaat, want die menen vaak geen hulp nodig te hebben ook al loopt thuis alles van de rails. Wat blijft er in deze situatie over voor jeugdzorg of het wijkteam? De vijfentachtig procent meldingen die via de politie binnenkomen, net als in het oude systeem vóór de Decentralisatie. Ik zeg het nog maar een keer hardop voor de Kamerleden: ‘Jullie besparen niets!’ De jeugdhulp verloopt na twee jaar niet effectiever, is niet goedkoper en niet laagdrempelig. Bovendien is de rechtspositie van ouders niet verbeterd, omdat de illusie bestond bij bestuurders dat ze het bestraffende karakter van het oude jeugdzorgsysteem konden versoepelen door hulp in het gezin te organiseren met behulp van een ‘gezinsplan’ dat is gebaseerd op het idee van Eigen Kracht. Lieve dames en heren politici, het woord ‘gezinsplan’ impliceert al een disfunctioneel gezin en het potentiële gevaar van kinderbeschermingsmaatregelen.


Een kleine eyeopener voor wie er nooit persoonlijk mee te maken heeft gehad, er bestaat geen gedwongen vrijwillige hulp! Drang is het ‘voorspel’ van dwang. Zodra iemand met instanties te maken krijgt die kunnen dreigen met een beschermtafel of een Raadsonderzoek is hij/zij zijn vrijheid al kwijt, want het is een hulptraject met een pistool tegen je hoofd. En dat zou geen probleem zijn als we zeker wisten dat alleen zeer disfunctionele en kindbeschadigende ouders op die manier met hun rug tegen de muur gezet worden, maar met de gebrekkige rechtsbescherming van nu kan dat iedereen overkomen. De rechter oordeelt niet onafhankelijk omdat hij geen leiding geeft aan het onderzoek, maar zich moet verlaten op het zogenaamde ‘informantenonderzoek’ van de jeugdbeschermers wat op z’n best een ‘meningeninventarisatie’ mag heten. Het bestaat vooral uit vermoedens, indrukken en onderbuikgevoelens.

Drang & Dwang

Welke normale ouder met zijn volle verstand zal zich inlaten met dergelijke organisaties? En toch denken politici nog steeds dat ze iets moois hebben gecreëerd met de overheveling van de jeugdzorgtaken naar de gemeenten, want ze denken dat verbetering van de rechtspositie van ouders niets van doen heeft met de kwaliteit van de jeugdhulp. In werkelijkheid is dat juist één van de voornaamste redenen waarom het met de jeugdhulp in ons land al veertig jaar niet wil lukken. Veel hulpverleningstrajecten lopen uit op een machtsstrijd, want niemand wil graag de regie over zijn eigen gezin verliezen. Nanneke Quik-Schuijt schreef in haar Opinie dat het een tegenstrijdigheid is als een jeugdbeschermingsplein ouders schriftelijk ‘adviseert’ mee te werken, omdat de hulp ‘niet vrijwillig’ meer is.(2) Deze mededeling, gedaan zonder tussenkomst van een rechter, was een voorschot op de juridische maatregel. Dit dreigen door jeugdbeschermers en hulpverleners is al jaren schering en inslag, maar op de een of andere manier wist de jeugdzorglobby het aan de politici die over de Transitie gaan het zo voor te stellen dat het principe van drang & dwang een nieuwe uitvinding was.

Onderzoeksrechter bij jeugdbescherming

Dat had vooral betrekking op het tijds-bestek, want er moest naar het voorbeeld van de gemeente Rotterdam op zo’n kort mogelijke termijn met alle instanties en de ouders om de tafel worden gezeten, zodat het gezinsplan snel klaar zou zijn en daadkrachtige en effectieve hulp zou volgen. Geen jarenlang gesol meer met gezinnen over welke hulp wel of niet nodig was, maar meteen aan de slag. Jammer alleen dat de politiek niet begreep dat je het opdringen van hulp aan een gezin nooit zou mogen doen zonder tussenkomst van een rechter, die bovendien niet uitsluitend door jeugdbeschermers geïnformeerd zou moeten worden (beschermtafels dreigen met de rechter op basis van hun eigen gekleurde rapportages net als het oude jeugdzorg) maar door onafhankelijke personen, zoals is voorgesteld door advocaat Huib Struycken.(3) Een officier van justitie in samenwerking met een onderzoeksrechter zou binnen drie dagen kunnen constateren of een kind acuut gevaar loopt en zo nodig maatregelen nemen. Indien dat niet het geval is, kan de vraag gesteld worden met welk recht een hulpverlenende instantie ergens mee zou moeten dreigen. Als hulpverleners niet verder gaan dan de zorg signaleren en deze melden, zonder zelf belast te worden met de risicotaxatie, kan hulp gewoon hulp blijven zonder te verworden tot de chantage die met een beschaafd woord ‘drang’ wordt genoemd.

Hulpverlener als kinderdief

De Transitie zal nooit ‘werken’ als burgers geen vertrouwen hebben in de kwaliteit van de wijkteams en het vrijwillige karakter van de hulp. Als eenzijdig vanuit het wijkteam besloten kan worden dat de hulp opeens niet vrijwillig meer is, blijft dezelfde problematiek als bij Bureau Jeugdzorg de afgelopen twintig jaar bestaan. De hulpverlener verandert geleidelijk aan in een kinderdief, omdat in dit systeem -waar de tijd altijd in het nadeel van ouders werkt - de hulpvraag wordt omgezet in een risicoanalyse, vaak vanwege weigering om zonder meer de aanwijzingen van de hulpverleners op te volgen. Het ‘belang van het kind’ is daarbij de mantra die elke handelswijze moet legitimeren, maar de specificatie daarvan ligt weer bij de jeugdbeschermers en hun veronderstelde professionaliteit. Natuurlijk kan jeugdzorg niet zomaar een kind onteigenen, maar veel ouders zien dat de ‘rechterlijke toetsing’ door jeugdzorg en de politiek als een goedkoop excuus wordt gebruikt ter verdediging van een rammelend systeem waarin ze al lang geen vertrouwen meer hebben. De onafhankelijkheid en de deskundigheid van de rechter staan ter discussie, want deze is teveel het verlengstuk van jeugdzorg en de Raad geworden. Gebrek aan overheidstoezicht op het verloop van hulpverlening in het gedwongen kader krijgt maar al te vaak het gemakkelijke afsluitdeksel van ‘vertrouwen in de jeugdzorgprofessional’.

Hulpverlening of strafmaatregel

Het probleem is dat we in ons land één woord gebruiken voor twee totaal verschillende zaken. ‘Hulpverlening’ en ‘kinderbescherming’ noemen we beiden ‘jeugdhulp’ alsof ze de beste vrienden zijn. Dit is een groot probleem, omdat het tegelijk het vrijwillige karakter van normale hulpverlening ondermijnt en het idee geeft dat kindermishandeling een uit de hand gelopen ‘opvoedprobleempje’ is. In werkelijkheid zijn het gescheiden werelden en zijn de sectoren van hulpverlening en kinderbescherming gescheiden beroepen. Een hulpverlener valt onder het Ministerie van VWS en een Raadsmedewerker werkt voor het Ministerie van Veiligheid & Justitie, wat gaat over strafbare feiten. Waarom zou je als politiek een constructie bedenken waarin deze twee samen gaan? Het antwoord is eenvoudig, omdat men de straf voor kindermishandeling graag wil verzachten door er een kinderbeschermingsmaatregel voor in de plaatst te stellen, zodat de falende opvoeder zichzelf nog kan verbeteren. Ook voor het kind is het beter als het niet meteen (en voorgoed) bij de ouders wordt weggehaald. Maar in de praktijk zien we dat kinderen juist langs vele pleegplaatsingen en verblijven in instellingen net zo hechtingsgestoord worden als wanneer ze thuis waren gebleven. Het opvoedende karakter van de hulp valt vaak bijzonder tegen, zowel voor ouders als voor het kind. Als kindermishandeling en verwaarlozing overduidelijk zijn kan er worden ingegrepen, maar er bestaan volgens jeugdzorg zeer veel twijfelgevallen. Het komt menigeen voor dat niet altijd de gezinssituatie ‘complex’ is als wel de denkwijze van de jeugdbeschermer en de willekeurige maatstaven die deze (in teamverband) aanlegt voor het wel of niet ingrijpen in een gezin. Met andere woorden, de professionaliteit laat te wensen over en dat lijkt te verwachten als je bent opgeleid tot hulpverlener en niet tot forensisch onderzoeker of psychiater.

Sociaal werkers en gezinsdrama’s

Waarom maken wij hulpverleners met een opleiding tot sociaal werker verantwoordelijk voor situaties van leven en dood? Waarom denken we dat een ‘niet pluis’-gevoel een goed instrument is om mee te interveniëren? Waarom laten we de hulpverlener constant zijn pet afzetten en omruilen met die van een agent (en weer terug), terwijl we blijven geloven dat we de hulp aan jeugdigen laagdrempelig kunnen maken en op die manier preventief werken, zodat het niet tot kindermishandeling hoeft te komen? Het systeem werkt zichzelf op alle mogelijke manieren tegen, maar het blijft iedereen verbazen dat er na twee jaar Transitie-gemodder eigenlijk niets verbeterd is. Gelukkig hebben de politici zoveel kopzorgen over de technische details van de Transitie (‘moeten we jeugdhulp Europees aanbesteden?’), dat ze worden afgeleid van het regelrechte falen van de denkwijze die aan de Decentralisatie vooraf ging: het idee dat de Wijkteams de centrale toegangspoort zouden worden tot de jeugdhulp en dat we op een makkelijke manier zouden kunnen onderscheiden tussen vrijwillige hulp en hulp in het gedwongen kader -met opschalen en afschalen- zonder de rechtspositie van ouders te borgen. Politici streven er op dit moment naar de ergste mankementen van de overheveling naar de gemeenten te verhelpen en de kwaliteitsverbetering die op geen enkele manier wordt waargemaakt is daardoor naar de achtergrond geschoven. Dat is een probleem voor het volgende kabinet, dat door een merkbaar gebrek aan zelfstandigheid van de gemeenten op het gebied van jeugdbeleid, de komende jaren flink lastig zal worden gevallen met allerlei zaken die landelijk niet goed zijn geregeld.  


(3)Jeugdbescherming heeft onderzoeksrechter nodig. http://svensnijer-essays.blogspot.nl/2017/02/jeugdbescherming-heeft.html