donderdag 14 september 2017

‘Te zwak voor de stoïcijn zijn trots’



‘De mens is gewoon een dier dat rechtop is gaan lopen’ hoor je biologen vaak zeggen. En evolutionair gezien is dat waarschijnlijk ook waar, maar deze wetenschappelijke procesbeschrijving van onze soort wordt door sommige mensen gemakkelijk afgekort tot het reductionistische ‘De mens is een dier’, alsof het wezen dat rechtop is gaan lopen bijna teruggeduwd zou kunnen worden naar zijn vorige status van intelligente aap of aapmens. Het lijkt haast een cynische conclusie, dat de mens ondanks al zijn technologische verworvenheden, kunsten en wetenschappen toch niet veel meer is dan een door hebzucht en geldingsdrang aangestuurd schepsel dat slechts door een dun laagje beschaving en cultuur van de rest van het dierenrijk wordt gescheiden. Ook biologen van de populistische soort dragen bij aan dit idee, door te verklaren dat wereldleiders, bestuurders van grote bedrijven, legeraanvoerders, Nobelprijswinnaars, popsterren, filmsterren en andere beroemdheden uiteindelijk al hun talenten hebben ingezet om op topposities te komen in de samenleving met (onbewust) geen ander doel dan zoveel mogelijk keuze te hebben aan begeerlijke mannetjes of vrouwtjes en uit die ‘genenpoel’ de besten te kunnen kiezen voor een zo gunstig mogelijke voortplanting en daarmee de continuering van zichzelf langs een sterke genetische lijn.

Geestelijk en lichamelijk voortbestaan
 
Dat klinkt op een bepaalde manier geloofwaardig, want we kunnen niet ontkennen dat de mens primaire instincten heeft die hem tot een dierlijk, territoriaal en zelfs moordzuchtig wezen kunnen maken, maar het is de vraag of we voor de identiteit en de levensdrift van de mens terug moeten redeneren naar het voortplantingsniveau. Er is namelijk nog een andere manier om voort te bestaan en een soort onsterfelijkheid te verwerven en dat is door het verspreiden van geestelijke zaden die vrucht dragen in het bewustzijn van toekomstige generaties. De mysticus Jan van Ruusbroec beschrijft in zijn ‘Mystieke zonneloop in de ziel’ hoe in de laatste fase van de geestelijke ontwikkeling er een vermenigvuldiging plaatsvindt van alle geestelijke gaven die in een heel leven zijn opgebouwd: “Door deze mensen en door hun leven en door hun geduld worden alle mensen verbeterd en onderwezen die bij hen zijn. Zo wordt dan het koren van hun deugden gezaaid en vermenigvuldigd ten bate van alle goede mensen.” Veel van wat mensen bereiken in hun leven wordt niet doorgegeven langs de bloedlijn, hoewel het een grote vreugde is voor ouders om iets van zichzelf in hun kinderen terug te zien, vooral als het talenten en ambities betreft die zich op een positieve manier uitwerken en het kind gelukkig maken. Er zijn echter ook genoeg voorbeelden van geniale geesten die vrij talentloos en ongemotiveerd nageslacht op de wereld hebben gezet of in het geval van de monnik Ruusbroec, geen kinderen.

Idealen als bovenpersoonlijke waarden 

Het doorgeven van wie je bent kan via de bloedlijn en via het onderwijzen van anderen. Dat loopt parallel met de twee naturen in de mens; aan de ene kant de dierlijke instincten in ons voor het beschermen van vrienden en familie, onze bezittingen en reputatie en aan de andere kant de intelligentie en creativiteit die zoekt naar bestendiging van ideeën via het doorgeven van kennis en ervaring aan mensen met wie we een geestelijke verwantschap voelen, maar waar we geen stoffelijke connecties mee hebben. Als we zeggen dat de mens een dier is, dan betekent dat ofwel dat we biologisch gezien meer moeite doen voor onszelf en onze naasten dan voor mensen die verder van ons af staan, of dat de mens in werkelijkheid een stuk primitiever en egoïstischer is dan hij zich voor anderen voordoet. Deze biologische verdenking is niet strijdig met het geestelijke principe dat ons motiveert om waarden te zoeken die persoonlijke relaties en belangen overstijgen, zoals nationale trots, culturele tradities, geloofsovertuiging, een politiek ideaal, een beroepsethiek, wereldvrede of een leefbare planeet voor ons allemaal. Er moeten ook factoren in ons leven zijn die de directe omgeving en de ermee verbonden belangen overstijgen naar het algemeen menselijke, anders wordt het leven bekrompen en werken de verworven zekerheden uiteindelijk verstikkend. Op de grens van het persoonlijke en onpersoonlijke is de mens in evenwicht en voelt hij zich in zijn ‘element’.

Jung en de wereldziel 

Het woord element kan op twee manieren worden opgevat; enerzijds betekent het een vergelijking met het dierlijke leven, zoals een vis die in het water in zijn element is, een vogel in de lucht of een varken in de modder. Vanuit de materiële interpretatie is de mens ‘in zijn element’ als hij zijn favoriete bezigheid uitoefent, zoals werken in de tuin, handel drijven, op zee varen, een huis bouwen, maar er is ook een immateriële betekenis van het woord element. Dat vinden we in de terminologie van de oude Grieken die spraken over de ‘essentie’ van het leven als de quinta essentia - het ‘vijfde element’. Hiermee bedoelden ze naast de vier materiële elementen; aarde, lucht, water en vuur het onzichtbare element ‘ether’ dat in de andere elementen aanwezig is en dat heel de wereld doordringt. De ether is verantwoordelijk voor de juiste verhouding van de andere elementen als bezielend en ordenend principe in de levenloze materie. Ook latere mystici erkenden deze ether als een soort ‘wereldgeest’ (spiritus mundi of anima mundi) die de mens in pantheïstische zin verbindt met de wereld waarin hij leeft. De psycholoog William James eindigde meer dan honderd jaar geleden zijn beroemde boek ‘Principles of psychology’ met dit begrip en decennia later kwam Carl Gustav Jung, de bekendste leerling van Freud, hierop terug met zijn theorie van het ‘collectief onbewuste’. Hij zag de Archetypen (oerbeelden) die bij alle volken in alle tijden steeds opnieuw in allerlei variaties verschijnen als het werk van dit ‘vijfde element’ dat hij tevens beschouwde als opslagplaats van alle herinneringen van het menselijk ras tot in de vroegste tijden.

Disseminatie of Archetypen 

De ideeën van Jung werden bestreden door Lord Raglan, die in zijn boek ‘The Hero, A Study in Tradition, Myth and Drama’ beargumenteerde dat de overeenkomst in Archetypen overal ter wereld veroorzaakt kan zijn door natuurlijke verspreiding, door de contacten tussen de volkeren onderling, bijvoorbeeld langs handelsroutes, waardoor bepaalde goden- en heldenvoorstellingen tot in de verste uithoeken van de aarde overeenkomsten hebben. Een combinatie van beiden is echter ook denkbaar; het gemak waarmee de volkeren door de eeuwen heen elkaars goden hebben geadopteerd en vaker nog -vreemde goden identificeerden met hun eigen goden, maar dan onder een andere naam- zou erop kunnen duiden dat er zowel in de collectieve als in de persoonlijke psyche van de mens 'pre-existente' beelden bestaan die herkend en tot leven gewekt worden door de uitbeelding ervan door anderen. Als we uitgaan van een collectief geheugen van de mensheid dan kunnen onze menselijke strevingen niet enkel dierlijk zijn, want onder de laag van persoonlijke neurosen en dierlijke instincten kunnen we in verbinding treden met alle tijdperken van de mensheid die aan ons vooraf gingen. Het instinct is er voor ons zelfbehoud, voor de bescherming van mensen die ons dierbaar zijn en in het algemeen voor onze manifestatie in de wereld en het vermogen om iets te bereiken of te veroveren. Contact met het persoonlijk- en collectief onbewuste verschaft ons zowel inzicht in het verleden (therapeutische integratie) als een blik op de toekomst voorbij onze onmiddellijke belangen en inzichten. De intuïtie is ons ‘vijfde element’ dat ons verbindt met wat we nog niet (onder)kennen, maar waar we een vermoeden van hebben en dat we moeten navolgen om er achter te komen wat het ons zal brengen. Sommigen noemen het ‘je hart volgen’, anderen op god of het lot vertrouwen.

Zuiver intuïtie

Deze spirituele ‘handleidingen’ hebben alle drie hun tegenhanger in de eigen verantwoordelijkheid van de mens. Op de ingevingen van het hart kan alleen vertrouwd worden als de intuïtie niet vertroebeld wordt door onrijpe emoties die de geest eerder verzwakken dan vooruit stuwen. Op god vertrouwen is een advies met de bijsluiter ‘god helpt, wie zichzelf helpt’ en het lot is volgens de Griekse filosoof Heraclitus iets dat zowel van binnen als van buiten komt. Zijn moeilijk te vertalen uitspraak ‘De mens zijn gewoonte is zijn lot’ of ‘de mens zijn karakter is zijn lot’ of zelfs ‘de mens zijn gewoonte is zijn beschermende godheid/ begeleidende geest’ geeft aan dat al in de vroegste tijden de mogelijkheid om je honderd procent te laten leiden door een spirituele kracht betwijfeld werd. Het woord 'gewoonte' of 'karakter' had voor de oude Grieken bijzondere betekenis en later is dit door Aristoteles nauwkeurig uitgewerkt. Het woord 'deugd' zoals wij dat kennen uit de christelijke traditie heeft de morele betekenis van juist gedrag en gehoorzaamheid (aan god en kerk), terwijl het in de Griekse oudheid vertaald werd met het begrip 'talent'. Niet een potentieel talent van een persoon die we als een 'grote belofte' beschouwen voor de toekomst, maar een ontwikkeld en gecultiveerd talent. Een aangeleerde goede gewoonte, waarop we blindelings kunnen vertrouwen. Voor deze 'habitus' moest de mens door filosofisch inzicht -en voorafgegaan door de militaire discipline van het leger- beheersing krijgen over zijn dierlijke instincten, zodat hij ze de baas was en de dierlijke driften, zoals woede, jaloezie en hebzucht hem niet in het verderf zouden storten. 'Alles met mate' was een belangrijke spreuk voor elke Griek die zichzelf als een ontwikkeld mens beschouwde.

Diereneigenschappen als metafoor 

Als ik iemand hoor zeggen dat de mens een dier is, dan vraag ik me af of het twijfel is aan de Logos in ons. Twijfel aan de hogere intelligentie, de Archetypen, de ziel of de god-in-ons, die het vermogen geeft om het dierlijke in ons te temmen en dienstbaar te maken aan onze totale ontwikkeling als mens. Is deze uitspraak het gevolg van de teleurstelling in zichzelf en anderen of komt ze juist voort uit een realistische kijk op het mens-zijn. Het besef dat wij ons niet moeten verbeelden het dierlijke niveau zomaar te kunnen ontstijgen, alsof wij nooit zouden overgaan tot het primitieve en barbaarse gedrag dat we bij anderen waarnemen in oorlogen of bij gruwelijke misdrijven. Is het zelfkennis van de mens die zijn eigen breekbaarheid en feilbaarheid begrijpt en zich niet wil voorstaan op verheven idealen die nog verre van gerealiseerd zijn? Of is het simpelweg de opvatting dat de geest een 'bijproduct' is van de stof, want daar kan ik er geen genoegen mee nemen. Het maakt niet uit of wij een ‘gewilde schepping’ zijn van een vaderlijke god of van een universele Logos die ons spontaan deed ontkiemen, of dat wij het product zijn van een onpersoonlijke evolutie die toevallig menselijk bewustzijn voortbracht. We moeten kijken naar de richting waarin we gaan. Hoewel het dier in ons aanwezig is en de mens ook veel genoegen kan scheppen in identificatie met diereneigenschappen (‘sterk als een beer’, ‘dapper als een leeuw’, ‘sluw als een vos’, 'geil als een bok') heeft het toch een reden dat wij als samenleving een maatschappelijke ordening hebben gecreëerd waarin het onbeteugeld uitleven van al onze primitieve en duistere instincten bij wet verboden is. Wie of wat het in ons is dat de dierlijke driften de ene keer aanmoedigt en de andere keer afremt is iets waar we talloze namen aan kunnen geven, maar het moet iets zijn dat meer is dan een ‘paar ons’ extra hersenen, want een aap die plotseling meer hersenen krijgt -en daarmee aan de geest van de evolutie voorbij gaat-  zou een super-gevaarlijke aap worden en geen raketgeleerde, dichter of componist.

Sven Snijer