Een oud bericht, maar voor mij persoonlijk een schokkend nieuw feit. Advocaat Mohammed Enait die voor het leven geschrapt is van het tableau van advocaten, is niet zoals ik aanvankelijk dacht zijn verdere beroepsuitoefening als advocaat verboden op grond van zijn weigering om voor de rechter op te staan, maar vanwege excessief declareren en onheuse bejegening van zijn cliënten.(1)
Het Hof van Discipline heeft op 11 december 2009 een
eerdere uitspraak van de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten vernietigd
waarin Enait een berisping had gekregen voor zijn weigering voor de rechter op
te staan, een hoofddeksel te dragen tijdens de rechtszitting en een provocatief
mediaoptreden. Het Hof stelde dat Enait niet de intentie had gehad minachting
voor de rechterlijke macht te tonen en op zijn beurt respect mocht verwachten
voor zijn "oprechte en authentieke geloofsovertuiging". Een miskleun
van de bovenste plank die vooral een gebrek aan filosofische inzicht laat zien.
Het
verzoek van Enait om als moslim een uitzonderingspositie te krijgen bij het
respect betonen aan de rechterlijke macht, door niet op te staan voor de
rechters wanneer zij binnen komen had gemakkelijk verworpen kunnen worden op
grond van zijn eigen argumentatie. Enait stelde namelijk dat zijn geloof hem verhindert
op te staan voor de rechter omdat volgens de islam alle mensen gelijk zijn. En
dat is nu precies wat wij hier in Nederland ook vinden, dat alle mensen gelijk
zijn en gelijke rechten moeten hebben, maar het opstaan voor de rechter is dan
ook geen teken van respect voor de persoon die de functie van rechter
uitoefent, maar voor het ambt en in overdrachtelijke zin voor het hele justitiële
apparaat en de Nederlandse rechtsstaat.
Het gaat juist niet om de persoon,
omdat dezelfde rechter buiten de rechtbank aangesproken kan worden als ieder
ander persoon, gelijk de bakker, de slager en de schoolmeester. Juist om het
onpersoonlijke karakter van de functies die in de rechtbank worden uitgeoefend
te benadrukken, dragen rechters, advocaten en officieren van justitie een
zwarte toga en een witte bef. De nadruk komt hiermee te liggen op hun ambt.
Door Enait toe te staan om niet voor de rechter op te staan, wordt helemaal
niet tegemoet gekomen aan zijn godsdienstvrijheid (waarvan men zich kan
afvragen in hoeverre een persoonlijke overtuiging het publieke domein mag binnendringen),
maar wordt het respect voor de functie van rechter onderuit gehaald, omdat de
rechter daar niet staat als persoon, maar als symbool van ons rechtssysteem.
Er
is hier dus geen sprake van verschillende mensvisies uit overtuiging (de
islamitische en de niet-islamitische), maar een verschil in begrijpen van waar
precies respect voor betoond wordt. Treurig dat niet alleen de onervaren
advocaat en beroepsprovocateur Enait dit niet begrijpt (hij was eerder weigerambtenaar
bij het handen schudden namens gemeente Rotterdam), maar dat ook het Hof van Discipline
dit verschil niet kan maken. Gelukkig is deze notoire dwarsligger alsnog uit
zijn functie gezet, maar helaas niet op de juiste gronden.(2) De rechtsstaat
heeft hier gefaald en wederom laat dit zien dat wij niet weten hoe we met een
exotisch geloof moeten omgaan, dat we denken te respecteren als we maatregelen
opleggen die niet tegemoet komen aan het geloof dat in stelling wordt gebracht,
maar die wel afbreuk doen aan ons zelfrespect als rechtsstaat.
Sven Snijer