woensdag 2 september 2015

Het onderwijs als integratiepleister


Het hing al een tijdje in de lucht. Verschillende politieke adepten van de maakbaarheidsfilosofie die met de handen in het haar zitten over de ontspoorde jeugd -die door een chronisch gebrek aan sociale vaardigheden en algemene ontwikkeling het onderwijs, de jeugdhulpverlening en uiteindelijk het justitieel apparaat zwaar belast- doen nog eens een zoveelste poging om de pedagogische heilstaat nieuw leven in te blazen door volstrekte negatie van het werkelijke probleem. Niet de moeizame integratie is de oorzaak van zoveel ontspoorde kindertjes met taalachterstanden en gedragsproblemen, maar te weinig voorschool.(1)

Buurt Praktijk Team

Het lijkt een wedstrijd te worden tussen de verschillende politici wie zijn kop het diepst in de polderklei kan steken, want het mag na zoveel jaren van goede bedoelingen toch wel duidelijk zijn dat het onderwijs geen toverfabriek is waar alle actuele en dreigende maatschappelijke problemen aangepakt kunnen worden. Men wil in Den Haag nog steeds doen voorkomen alsof te weinig pedagogisch samenscholen van het jonge grut de reden is van hedendaagse maatschappelijke onrust. In het verleden gingen alle kleintjes pas met vier jaar naar school en dat ging prima, dus misschien kunnen de beste politici even uitleggen wat er dan veranderd is in ons maatschappelijk klimaat, afgezien van de immigratiestromen en gezinsherenigingen vanaf de jaren zeventig van mensen met een niet-westerse achtergrond. Want daar hebben we het toch over, als ik Wilders weer even in de kaart mag spelen. Het zijn toch vaak de allochtone ouders die het laten afweten op ouderavonden en die hun kinderen ’s avonds laat nog groepsgewijs over straat laten zwerven zonder enige vorm van toezicht. In zijn column van 15 juli 2013 noemde Theodor Holman het Buurt Praktijk Team in Amsterdam West dat concludeerde dat ‘Marokkaanse ouders geen grip hebben op hun kinderen en soms zelfs een negatieve invloed op hen uitoefenen’ wat een ingewikkelde formulering is voor ‘niet kunnen opvoeden’. (2)

Bas Heijne

Maar niet getreurd, want dweilen met de kraan open doen politici maar al te graag. En natuurlijk wetenschappelijke rapporten negeren die jaren terug al aangaven dat de pedagogische noodgreep van voorschool-stimulatie geen enkel resultaat zal geven, omdat het vooral het algemene ontwikkelingsniveau van de ouders is dat bepaalt hoever kinderen zullen komen in de maatschappij. In het artikel ‘Voorschool levert peuters niets op’ (Trouw, 2011) wordt ontwikkelingspsycholoog Anne Keegstra geciteerd die al in 2010 concludeerde dat ‘de voorscholen zich vaak richten op taalachterstand, en daarbij de oorzaak -- zoals een gebrekkige algemene ontwikkeling – negeren’. (3) In reactie op het plan van PvdA fractievoorzitter Diederik Samson in Buitenhof (februari 2015) om kinderen te verplichten een jaar eerder naar school te gaan, stelde Bas Heijne in het programma Schepper& Co: ‘Het lijkt een maatregel om kinderen uit disfunctionele gezinnen weg te halen en ze te conditioneren in maatschappelijke omgangsvormen, om het maar even grof te zegen’. Hij trok het even later wat breder door verder uit te wijden over zijn zorg over het verloren gaan van de maatschappelijke samenhang en het onvermogen van politici om hier iets aan te doen. ‘Men begrijpt niet echt waar het om gaat. Het draait in feite om het ontbreken van het maatschappelijke verhaal dat ons bindt. En als je het enkel gooit op praktische maatregelen en denkt dat als je kinderen een jaar eerder naar school stuurt, dat het dan allemaal goed komt… Dat is zo naïef dat ik er een beetje van schrik.’
 
Achter de voordeur

Desalniettemin wordt deze Haagse naïviteit nu toch concreet beleid en zal men weer zestig miljoen in een diepe put gooien. In een opiniestuk in de Volkskrant van 26 augustus 2013 van Michelle van Dijk getiteld ‘Begin maar liever niet aan de peuterplicht’ (4) werden een aantal krachtige argumenten naar voren gebracht tegen de hersenschim van de overheid om problemen te voorkomen door ‘er steeds vroeger bij te zijn’. Om te beginnen noemt ze de maatregel net als Bas Heijne in zijn eigen bewoordingen ‘een teken van de onmacht van de overheid om in te grijpen in de thuissituatie van kansarme kinderen’. Weer iemand die het spel van de overheid doorziet dat in zoveel vormen tot ons komt, variërend van Sociale Wijkteams, Ouder en Kindadviseurs in de scholen, collectieve gezondheidsmaatregelen in de pauzes, Passend Onderwijs en nu het opdringen van de voorschool. Allemaal bedoeld om kinderen met problemen sneller te signaleren en op tijd de opvoeding en ondersteuning te bieden die ze thuis niet krijgen. Een heel maatschappelijk systeem dat is ingesteld op de minst ontwikkelde ouders (en kinderen), waardoor de gezinnen met kinderen die een gemiddelde kansrijke toekomst hebben zich steeds verder moeten aanpassen en in hun eigen keuzes worden beknot.

Kwaliteit van de voorschool

Afgezien van een aantal dubieuze motivaties die Van Dijk noemt vanuit de overheid bij het oplossen van sociale problemen via het onderwijs (camoufleren van andere problematiek) komt ze ook met een schokkend nuchtere constatering over de kwaliteit van de voorschool en met name in de grote steden waar de problemen die de overheid wil ondervangen het sterkst spelen: ‘Uit onderzoeken blijkt steeds weer dat de voorschool alleen iets oplevert als de medewerkers goed geschoold en taalvaardig zijn en als zij consequent het lesprogramma volgen. Dat gebeurt in de praktijk niet. De gemiddelde peuterleider in een grote stad heeft een mbo-opleiding en is niet opgegroeid met de Nederlandse taal. En een peuter wordt niet beter van de peuterschool als de leidsters en kinderen op die school minder taalvaardig zijn dan zijn of haar familie is.’

Ze kunnen het toch niet

Waar de overheid iedere keer in tekort schiet is de eis aan ouders om betere ouders te zijn. Het is steeds weer de overheid die als echte ‘enabler’ het probleem erger maakt door de onwetendheid en desinteresse voor de opvoeding te faciliteren door mensen niet verantwoordelijk te houden voor hun pedagogische tekorten, maar daar zelf in te springen. Door op steeds jongere leeftijd de opvoeding te willen overnemen en daarmee de incompetentie van minder ontwikkelde ouders niet alleen te bevestigen, maar ook te vergroten. Want door het probleem in de thuissituatie niet specifiek te benoemen, worden de ouders naar de zijlijn gedirigeerd, want die kunnen het toch niet en daarmee worden ze ook niet geïnformeerd over wat hun kinderen werkelijk tekort komen en wat zij zouden kunnen bieden als ze meer inzicht hadden. Van Dijk: ‘De geboden oplossing is paradoxaal: we weten dat het gezin waarin je opgroeit belangrijker is dan de school waar je naartoe gaat, en toch moet je meer tijd op school doorbrengen?’ Eenvoudiger laat het probleem zich eigenlijk niet samenvatten, maar de overheid gaat vooralsnog vrolijk in deze spagaat verder.

Sven Snijer