maandag 6 juli 2015

Atheïsme als statement

Als spiritueel mens heb ik een verschuiving meegemaakt in mijn levensbeschouwing van een religieus gewortelde beleving van mystiek naar een rationeel-filosofische benadering van het bovenzinnelijke. Vanuit de joods-christelijke waarden waar ik als elfjarige in eerste instantie mee kennis maakte vormde zich in mijn aanvankelijk atheïstische brein geleidelijk aan een godsbesef van de mogelijkheid van een levend contact tussen God (of hemelse boodschappers) en bijzondere mensen hier op aarde.

De vervreemding waar je als spiritueel kind mee opgroeit, is het verschil tussen de Bijbelse verhalen waarin het contact tussen God en zijn volk steeds intensief en ‘actueel’ is en de maatschappij waarin je opgroeit in de twintigste eeuw, waar de gelovigen deze verhalen vaak letterlijk geloven, maar er geen moment bij stil staan hoe vreemd het is dat er vandaag de dag geen Mozes, Ezechiël, Josef of Jesaja opstaan in ons midden om het volk even te ‘vermanen’. Waarom zouden die profetische boodschappen zijn opgehouden op het moment dat de Bijbelse canon werd afgesloten en een comité van kerkelijke belanghebbenden besloot dat het zo genoeg geweest was en dat er vanaf dat moment maar in dit afgesloten geheel van teksten ‘geloofd’ moest worden.

Als kind lopen verschillende realiteiten nog door elkaar heen en besef je nog niet goed hoe krom het is om te geloven in wonderen van duizenden jaren geleden, maar in het huidige bestaan alleen iets voor waar aan te nemen als de wetenschap het bewezen acht of als de dokter het voorschrijft. In de jeugdige belevingswereld zijn de mythologische thema’s van de eigen fantasie, de wereld van sprookjes, religie, geschiedenisverhalen en spannende jongensboeken nog geen duidelijk gescheiden categorieën. Het behoort allemaal tot de wereld der verbeelding, één ongedifferentieerde realiteit van geestelijke mogelijkheden. De toekomst en het verleden zijn even vloeiend en in elkaar overlopend als de vermenging van feiten en ficties. Dat is de gelukzalige wereld van het kind en het is een zegen dat we tenminste ons leven zo mogen beginnen, voordat de nuchtere feiten hun intrede doen en de noodzakelijkheden van ons bestaan de dromen cynisch kunnen terugwijzen naar een ongrijpbare oorsprong. Voor de gelukkigen die kunnen vasthouden aan hun dromen, zonder te zwichten voor gevoelens van minderwaardigheid of de kortzichtigheid van anderen, kunnen dromen later werkelijkheid worden, maar voor de fantasten die ze enkel met zich meedragen als pijnstiller voor het heden blijken ze een illusie.

'Zo'n fase'

Spirituele mensen in onze samenleving van enig ontwikkelingsniveau, doorlopen vaak een vast patroon van aanvankelijk te delen in de nuchtere en feitelijke maatschappij met de mensen om hen heen. Vervolgens begint het proces van opmerkzaamheid ten aanzien van bepaalde paranormale en spirituele gewaarwordingen, of een intensief bezig zijn met levensvragen die in de ogen van anderen vaak als merkwaardig en ‘onnodig’ aandoet. Hierna komt misschien wel de grootste uitdaging, om -nadat er tijdens de spirituele zoektocht aanknopingspunten en bevredigende antwoorden zijn gevonden- de nieuw verworven ‘onwereldse’ inzichten weer te leren integreren in de normale dagelijkse werkelijkheid. De meeste geestelijk zoekers willen wel spiritueel zijn, maar liever niet voor gek versleten worden (hoewel sommigen het daar wel naar maken). Toen mijn eigen spirituele zoektocht serieus begon te worden rond mijn vijftiende jaar en mijn ergernissen groeiden met opmerkingen van familieleden dat ze vroeger ook zo’n fase hadden doorgemaakt, alsof het een onderdeel uitmaakte van mijn puberteit, merkte ik geleidelijk aan de moeilijkheid die zich begon voor te doen met betrekking tot de realiteit. Want als de spirituele wereld een werkelijkheid was die ik voor mezelf niet meer kon ontkennen, hoe was het dan mogelijk dat zoveel mensen die verklaarden ‘nergens’ in te geloven schijnbaar een prima leven leidden?

Dit probleem is heel lang een rol blijven spelen, zelfs tot ver in mijn volwassenheid, omdat ik geen greep kon krijgen op de inzichten die mij persoonlijk grote vreugde en vervulling schonken, maar die zo op het oog geen praktische betekenis hadden voor mijn leven. Was alles uiteindelijk niet gewoon een prachtige illusie? Dit probleem begon zelfs te groeien vanaf het moment dat ik besloot dat mijn spirituele leven niet meer gebouwd mocht zijn op geloofswaarheden, maar enkel op filosofische inzichten en proefondervindelijk bezig zijn met de spirituele weg, langs de rationeel onderbouwde principes van de Vedanta en de opeenvolgende stadia van de geest in de leer van Patanjali en latere exponenten van deze traditie, zoals Vivekananda en Yogeshvarananda. Want indien religieuze doctrines geheel en al geëlimineerd worden en enkel de eigen ervaring als toetssteen geldt voor een geslaagd spiritueel leven, dan kom je al snel op de mogelijkheid van een ‘geslaagd’ leven zonder dat hierbij esoterische principes een rol spelen, namelijk bij mensen die intuïtief, instinctief hun eigen ontwikkeling ter hand hebben genomen en daarmee ook op een hoger ontwikkelingsniveau zijn gekomen.


Het bastion van de atheïsten

Succes in het leven of een geluksgevoel dat overweldigend is hoeft helemaal geen God te bewijzen of zelfs maar een werkelijkheid die hoger staat dan de natuurlijke orde. Het beginstadium van de spirituele zoektocht bestaat vaak ofwel uit een verzet tegen het dogmatische geloof waarmee iemand is grootgebracht, of uit een strijd tegen het ‘bekrompen’ wetenschappelijke wereldbeeld dat geen ruimte biedt aan de ongeziene werkelijkheid die ons omringt. En vaak beiden tegelijk. Christenen komen vaak via een omweg van gnostische mystiek, zen of yogalessen uiteindelijk weer terug bij hun religieuze wortels, maar dan zonder het beklemmende gevoel van alle ge- en verboden, of de verplichte geloofswaarheden, om een ‘hartsreligie’ te beleven, waarbij de kerk voornamelijk de functie heeft van ‘traditie’ en niet van allesweter. In mijn eigen ontwikkeling is er nooit een dialoog of strijd geweest met de traditionele kerk, omdat ik vanuit niet-kerkelijke achtergrond me institutioneel gezien nergens tegen hoefde af te zetten, eerder tegen het atheïsme van de maatschappij als geheel, wat me op natuurlijke wijze in gespannen verhouding bracht met de wetenschap, het bastion van de atheïsten. Maar omdat helder nadenken en eigen verantwoordelijkheid me door mijn ouders wel ingegoten zijn, vond ik het nog niet makkelijk om de strijd met het ‘ongeloof’ aan te gaan. De lange vermoeiende weg begon om met logische argumenten voor anderen een werkelijkheid aannemelijk te maken die de logica voorbij gaat, die er enkel een aanvang in heeft, om te culmineren in een geestvervoering of een alomvattend visionair inzicht.

Op mijn negentiende heb ik voor het eerst zo’n ervaring gehad, waarbij twee werkelijkheden naast elkaar bestonden, een tijdelijke wereld van ruimte en tijd, waarbij geluiden en bewegingen als altijd me omringden, terwijl tegelijkertijd op dieper niveau een oneindige stilte en een geestelijke diepte zich voor me ontvouwde, waarin ik gewaar werd dat de gehele Goddelijke werkelijkheid één is, ondeelbaar, perfect en volkomen statisch, zonder beweging. Het was alsof ik aan twee kanten kon kijken van een kosmisch scherm -de beweging aan de voorkant en het eeuwig tijdloze perfecte aan de achterkant- of misschien was het een ‘boven’ en ‘beneden’, maar in ieder geval besefte ik dat de transcendente realiteit die ik gezocht had echt bestond en dat ik er een essentieel deel van was. Mijn bestaan was niet langer ‘toevallig’, God was niet langer een ‘concept’ en de werkelijkheid was tegelijkertijd veranderlijk en onveranderlijk, afhankelijk van het standpunt van de waarnemer. Hoewel ik deze ervaring vaak uit mijn geheugen heb teruggehaald, heb ik er nooit iets aan kunnen ontlenen. Het gewone leven ging hierna verder, met alle ups en downs die iedereen meemaakt. 


Geen religie boven de waarheid

In levensbeschouwelijke zin onderging ik een belangrijke invloed door mijn lidmaatschap van de rozenkruisers orde AMORC waar ik vier jaar lid van ben geweest. Hoewel ik intuïtief als door een bliksem gegrepen werd door de advertentie van deze esoterische school en in mijn innerlijk wist dat ik dáár moest zijn, viel het me aanvankelijk nog niet mee om werkelijk met de basisleringen van deze ‘filosofisch-culturele’ organisatie tot verstaan te komen. Niet voor niets noemen ze zichzelf geen religieus-spirituele orde, want net als bij de Theosofen geldt ook voor de rozenkruisers het adagium ‘geen religie boven de waarheid’ wat inhoudt dat de spirituele principes die door hen worden onderwezen ‘kleurloos’ zijn. Je mag van iedere religieuze denominatie zijn, maar de orde zelf is niet-religieus. Er wordt binnen haar muren ook niet over religie (of politiek) gesproken, om te vermijden dat mensen in kleinzielige twist verzeild raken over ingeprente geloofswaarheden die met de spirituele praktijk van het leven niet in overeenstemming zijn. Vanzelfsprekend hebben veel rozenkruisers wel een religieuze of spirituele achtergrond, maar iedereen leert zijn eigen oordelen ‘op te schorten’ en eerst kennis te nemen van de rozenkruisersleringen die op de natuurprincipes zijn gebouwd, volgens een wetenschappelijk methode (proefondervindelijk), waarmee niet gezegd is dat het hier gaat om wetenschap zoals het op een universiteit wordt verstaan. Mystieke ontplooiing is geen project buiten jezelf, maar een innerlijk proces dat op individueel niveau vele variaties kent, al gaat het wel uit van universele principes.


"I think spirituality is a part of everything. It doesn’t need to be separated out from everything else." 
                                                                                                  Anthony Robbins

Juist het wetenschappelijke karakter van de leringen, of misschien kan ik beter zeggen de ‘wetenschappelijk oriëntering’ van de meeste leden, gaf mij in eerste instantie weerstand, aangezien ik gewend was aan een sprookjesachtige werkelijkheid van Bijbelse verhalen, die een ‘boodschap’ hadden voor het volk Israël. Ook vanuit andere spirituele tradities zoals het soefisme of de joodse mystiek had ik mezelf verzadigd met wonderverhalen en keer op keer was er die mystieke vooringenomenheid van de suprematie van de ‘kennis van het hart’ over het enge rationele verstand die de wetenschap zo heerlijk kon reduceren tot een ‘kunstje’, terwijl de ‘echte werkelijkheid’ aan de grote visionaire geesten toebehoorde als Roemi, Attar, of de Baal Shem Tov. Wie wilde er rationeel en nuchter zijn als de mogelijkheid bestond van onsterfelijkheid te verwerven tijdens het aardse leven? De mystieke dood (van het ego) om in Liefde te worden wedergeboren, een transcendentale liefde die de grenzen van tijd en ruimte overstijgt. Aan de ene kant voelde ik sterk dat de leer van de AMORC meer in overeenstemming waren met mijn eigen cultuur en tijd, aan de andere kant kwam het me allemaal erg nuchter en soms zelf sceptisch voor, alsof ze niet geheel aan de spirituele realiteit wilden die het gewone verstand zover te boven gaat. Maar ik had het mis…

Persoonlijke omstandigheden zorgden ervoor dat ik mijn lidmaatschap moest opzeggen, met in mijn achterhoofd de gedachte om spoedig weer terug te keren, wat nooit gebeurde omdat mijn ontwikkeling langs nieuwe wegen verder ging. Toch is het basisprincipe van de rozenkruisers, dat de spirituele ontwikkeling geleidelijk aan en volgens een proefondervindelijke methode moet plaats hebben steeds sterker geworden in mijn bewustzijn. Bij het lezen over de Vedanta jaren later, het boeddhisme, het Taoïsme (dat ook een esoterische traditie kent voornamelijk op kennis gebaseerd) vond ik steeds ditzelfde uitgangspunt terug. Een mens hoeft nergens in te geloven, hij moet zichzelf stap voor stap ontwikkelen. Een geloof is niet meer dan een aanname, de vervulling van de spirituele weg is vooral afhankelijk van zelfdiscipline en van kennis, want een geloofswaarheid is niet meer dan een ‘verhaal’ in je hoofd. De archetypische kracht van die verhalen wordt door religieuze mensen vaak instinctief wel aangevoeld, maar ze kunnen die archetypische betekenis niet loskoppelen van het letterlijke geloof in de historische werkelijkheid van het verhaal. Op die manier kunnen ze zich de spirituele principes moeilijk ‘eigen’ maken, want daarvoor is een onafhankelijk standpunt nodig van een persoonlijk waardesysteem en een zinvolle context van betekenisgeving buiten de religie.

De Griekse filosofen

Religie wijst altijd naar zichzelf; ‘Ik ben de weg, de waarheid…enz’, terwijl spiritualiteit als het goed is wijst naar de mens ‘Dat Brahman, dat zij Gij’ en Atman (ziel) = Brahman (God), in een eindeloze reeks variaties. Jezus heeft nooit bedoelt om mensen achter zich aan te slepen als een zwerm bijen achter een pot met honing. Hij leerde het gewone volk met een omweg (in parabels) dat ze persoonlijk waardevol waren voor God en dat hij zelf zijn eigen goddelijk potentieel had verwezenlijkt. Tegen zijn discipelen sprak hij meer rechtstreeks over de esoterische werkelijkheid zoals blijkt uit diverse apocriefe geschriften. De context waarin Jezus sprak gaf verwarring over zijn leerstellingen, want het was een cultuur die geen spirituele zelf-cultuur kende, zoals het boeddhisme of de Vedanta-filiosofie. Het joodse volk was gewend volgens religieuze en sociale voorschriften te leven en de boodschappen van hun opeenvolgende profeten ter harte te nemen als intermediairs tussen God en zijn volk. Jezus sprak vanuit zijn eigen autoriteit en bleef verschillende malen zichzelf identificeren met de goddelijke Vader. In een andere cultuur is het heel goed denkbaar dat hij het woord ‘vader’ in het geheel niet gebruikt zou hebben, want hij had ook een onpersoonlijke term kunnen gebruiken voor de hoogste realiteit. Het ‘Hen’ van de platonisten, het Brahman van de Yogi’s of de Tao van de Chinezen.

Persoonlijkheid ben ik de rationele methode in de spirituele ontwikkeling  pas echt gaan accepteren en waarderen vanaf het moment dat ik Griekse filosofen als Plato, Aristoteles en Pythagoras ging bestuderen, want ook ik moest met een omweg terugkeren tot mijn eigen culturele wortels. Het begon mij vooral bij het lezen van een stukje over Plotinus in het tijdschrift ‘Hinduism Today’ te dagen dat de filosofie van de oudheid in veel opzichten eigenlijk religie was, in haar verheven betekenis van spiritualiteit. Plotinus verschilde opeens niet veel van een Indiase Yogi of een Tibetaanse boeddhist en daarmee viel een groot deel van de rozenkruisersleer ook beter op zijn plaats, omdat het rationele niet langer alleen ‘rationeel’ was. De tegenstelling met wetenschap bestond niet langer en ik zag dat het ontwikkelen van het logische verstand kon leidden tot een ‘geesteswetenschap’ net zo goed als tot natuurwetenschap. Geleidelijk aan zijn rationele argumenten er voor verantwoordelijk geweest dat diverse spirituele leiders waar ik eerst met bewondering naar keek van hun voetstuk zijn gevallen, omdat mijn naar ervaring hongerende geest niet langer zit te wachten op ‘troost’ of exotische fantasieën over de werkelijkheid. Als een spirituele waarheid in conflict komt met het normale verstand en de eigen verantwoordelijkheid van de mens, dan ben ik tegenwoordig snel vertrokken. En toch is die ontologische werkelijkheid meer dan ooit een deel van mijn dagelijks leven.

De eigen verantwoordelijkheid

Vreemd genoeg zijn het in levensbeschouwelijke discussies die ik soms volg op het internet, de argumenten van atheïsten die mij het meest enthousiast maken, omdat de zekerheid van het ‘niet weten’(het open laten) een veel veiligere weg is dan het invullen van een hogere realiteit met de beelden en voorschriften die door anderen vanuit een traditie gegeven worden. Er is heel weinig dat de mens echt zeker kan weten als het niet onomstotelijk door eigen ervaring (en bij herhaling) tot hem komt en er is  veel waar hij zich te gemakkelijk en wanhopig aan vastklampt. Iedereen verlangt een liefde of zekerheid die sterker is dan de dood en velen zouden hun leven willen geven voor enkel een suggestie van zekerheid of spirituele beloning. Maar de dood moet niet zo’n obsessie voor ons worden dat het leven daardoor aan het zicht onttrokken wordt, want het is tenslotte in het leven dat wij onszelf moeten waarmaken en de spirituele bronnen zijn uiteindelijk niet meer dan hulpmiddelen daarbij. 

Het verlangen naar een geestelijke werkelijkheid die vrij is van de aankleefsels en de zorgen van ons dagelijks bestaan kan ontaarden in een droomwereld die wordt geschapen binnen de droom die het leven van nature al is. Als de zintuiglijke werkelijkheid echt een illusie is zoals veel spirituele tradities leren, dan is het onnodig om daarbinnen fantasieën te koesteren die daar nog omheen proberen te werken. Eén fata morgana is meer dan genoeg voor het overactieve brein, dat via meditatie juist kan leren om de wereld en het leven zelf te accepteren, zonder het in waarde te overschatten als zijnde de enige realiteit.

De eigen verantwoordelijkheid van het humanisme-atheïsme is het beste uitgangspunt voor spirituele mensen in deze tijd. Het hoeft de weg naar een geestelijk bewustzijn niet af te snijden, want wie kan een grens stellen aan de verbeelding of aan de geniale inzichten die het getrainde brein plotseling kunnen overvallen? We hoeven van God niets te vragen en ook niets van ons eigen handelen op hem af te schuiven, want in potentie heeft ieder mens dezelfde mogelijkheden tot ontplooiing. Ik geloof met de wijsgeren uit de oudheid dat het bewustzijn van de mens in het verlengde ligt van de intelligentie die de Realiteit is in alles wat bestaat. Het bewijs daarvoor is moeilijk te leveren, maar het is mijn gewaarwording dat een toename van redelijkheid in het eigen gedrag een vergroting van mijn geestelijk potentieel en expressiemogelijkheden tot gevolg heeft en dat het verlies van zelfbeheersing en het projecteren van eigen ellende op anderen (of de wereld als geheel) een afname teweeg brengt in de scheppingskracht van mijn bewustzijn en in het algemeen een afname van de voldoening over het ‘in de wereld zijn’. Voor mij is het in ieder geval bewijs genoeg, al zal ik op grond hiervan niet op verdere resultaten vooruitlopen. Waar groei en ontwikkeling zijn waar te nemen, daar krijgt het Leven voor mij een hoofdletter.

Sven Snijer