zaterdag 8 augustus 2015

De Transitie – Een vat vol tegenstrijdigheden – deel 2


‘Maatschappelijke intolerantie’

De Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg 2010 (1) stelt in haar rapport dat er een lagere acceptatie is van afwijkend gedrag bij zowel de burger als de samenleving waardoor ouders te snel een beroep doen op professionele hulpverlening, wat weer een overmaat aan diagnoses oplevert. Zo is na verloop van tijd de term overdiagnosticering in zwang geraakt en als gevolg hiervan raakten politici gebiologeerd door de gedachte van het ontlabelen van (probleem)kinderen. Vreemd genoeg stelde de toenmalig staatsecretaris van VWS Veldhuyzen-van Zanten die de Transitie moest meehelpen voorbereiden in 2012:

“Ik ben niet van mening dat veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen. Ik ga er vanuit dat de professionals die deze diagnose kunnen stellen bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor wordt de kans op een onjuiste diagnose geminimaliseerd. Overigens zijn minder jeugdigen in behandeling zijn voor ADHD dan op grond van prevalentiecijfers verwacht mag worden.” (2)

In 2010 zei de staatssecretaris al iets soortgelijks, waardoor duidelijk wordt dat er een verschil bestaat tussen de aantallen diagnoses en een teveel aan medicatiegebruik, aangezien veel mensen medicatie voor ADHD verschijnselen gebruiken zonder te zijn gediagnosticeerd.

Cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) laten zien dat er inderdaad sprake is van een forse groei in het aantal voorschriften en gebruikers van methylfenidaat, het middel wat gebruikt wordt tegen ADHD klachten. Dit geldt zowel voor jeugdigen als volwassenen.”

De prestatiemaatschappij

Voor dit medicatiegebruik kunnen natuurlijk allerlei redenen bedacht worden en ‘maatschappelijke intolerantie’ van afwijkend gedrag is er één van. Er kan echter ook gekeken worden naar de veranderingen in onze westerse cultuur van de laatste decennia die laten zien dat het maatschappelijk leven veel sneller is geworden, meer op prestatie gericht, op multi-tasken, op meervoudige rollen die mensen moeten vervullen thuis, op het werk, in vrienden -en familiekring en de op school van hun kind, terwijl het utopische idee van gelukzaligheid en een ‘toppertje’ te  zijn  sterker wordt geprojecteerd dan ooit. De maatschappelijke bovenlaag laag en het gelukkige midden kunnen niet vaak genoeg aangeven dat ze hun eigen levensgeluk gemiddeld een ‘negen’ of een ‘tien’ geven! Het nieuwe prestatieleren is hier een onderdeel van en weerspiegeld dat we allemaal continu moeten bewijzen dat we het ‘waard’ zijn, zelfs als het kinderen betreft op een speciale school met een beperking. Vandaar ook de dwang vanuit de overheid om kwetsbare jongvolwassenen uit de Wajong te krijgen en ze een (zogenaamd) volwaardige baan aan te bieden in het bedrijfsleven waar ze niet mogen falen. En bejaarden met een ontoereikend pensioen moesten maar gewoon een moestuin beginnen van de minister van Sociale Zaken Klijnsma, wat tot hilarische slogans leidde op de sociale media als ‘PvdA – Iedereen teelt mee!’.

Het lijkt erop dat veel mensen medicatie gebruiken om de concentratie te bevorderen zodat ze gemiddeld beter presteren op de belangrijke levensgebieden. Dit mag de overheid zorgwekkend vinden, maar dan lijkt het niet raadzaam om de middelen de schuld te geven, maar eerder de samenlevings-structuur en de sociale en financiële druk die er op mensen wordt uitgeoefend. Vroeger gingen mensen met twee inkomens erop vooruit en leefden ze in luxe, terwijl vandaag de dag twee inkomens noodzakelijk zijn omdat de prijzen zijn meegestegen met het tweeverdieners-bestedingspatroon. Een echtscheiding kan tegenwoordig leiden tot de gang naar de voedselbank voor mensen die kort daarvoor nog nergens gebrek aan hadden. Intolerantie of toegenomen maatschappelijke druk? De overheid heeft wel heel makkelijk genoegen genomen met de intolerantie als verklaring voor de stijging van ADHD medicatie. Het grote nadeel van deze aanname is bovendien dat er door de ontlabelingsbeweging juist een intolerantie wordt gecreëerd ten opzichte van kinderen die werkelijk iets mankeren, want hun problemen moeten opeens sociaal opgelost worden. 

‘Bewijzen’ tegen kindeigen problematiek

In het maatschappelijk veld werden in de aanloop naar de Transitie krampachtige vertoningen zichtbaar van bewijsvoering voor het vermoeden van overdiagnosticering, want er verschenen met regelmaat publicaties van wetenschappers waaruit bleek dat veel verondersteld autisme en ADHD helemaal geen aangeboren aandoeningen betrof, maar gevallen van geestelijke of lichamelijke mishandeling. Ze vermeldden daarbij niet welke gezinnen ze daarmee werkelijk op het oog hadden (multi-probleem gezinnen in achterstandswijken), maar kwamen met onderzoeken zoals die van de ‘Roemeense kinderen’ (3) die liefdeloos opgroeiden in een weeshuis in Oost-Europa. Die hadden door jarenlange verwaarlozing symptomen ontwikkeld die sterk leken op die van een autistisch kind, waarmee maar bewezen was dat we in Nederland veel te snel roepen dat een kind een aangeboren aandoening heeft. En wat was het kabinet blij met die onderzoeken, die heel gelegen vlak voor de Transitie uit de lucht kwamen vallen. Het ontbrak haar alleen aan de logica om symptomatiek van oorzakelijkheid te onderscheiden, vanuit de gegevens uit hetzelfde onderzoek die aantoonden dat de niet-autistische kinderen naderhand weer normaal gedrag gingen vertonen toen ze wel liefde en aandacht kregen,  wat bij een echte autist niet zo snel zal gebeuren. 

Wetenschapsvervalsing als onderdeel van kabinetsbeleid, omdat preventie van aan opvoedings-problematiek gerelateerde stoornissen de overhand kreeg. Zo kwam er een radicale verschuiving in de kijk op kindeigen proble-matiek, die door veel ouders met een kind bij de jeugd-ggz als bijzonder kwetsend werd ervaren en bedreigend. De politiek wist heel goed dat ouders die met jeugdzorg te maken krijgen al jaren klagen over de valse beschuldigingen van AMK -en jeugdzorgmedewerkers met hun speculatieve rapportages zonder waarheids-vinding. Bovendien liep door de ontwikkelingen rond de Meldcode, die in ziekenhuizen en scholen werd ingevoerd de maatschappelijke hysterie over mishandelingpreventie toch al de spuigaten uit. (In elke schoolklas moesten  twee of drie ‘mishandelde’ kinderen gevonden worden.) Het gevoel was dat men eerst moest bewijzen geen disfunctioneel gezin te zijn, voordat er gebruik mocht worden gemaakt van specialistische hulpverlening voor kinderen die dat echt nodig hebben. Zo is de decentralisatie immers opgezet, eerst zien wat er mogelijk is in het eigen netwerk en eventueel (als het echt niet anders kan) professionele behandeling die de gemeente nu moet betalen.

Het speciale kind

Het voornaamste slachtoffer van dit beleid is het kind dat specialistische hulp nodig heeft en dat niet gebaat is bij een netwerk van goedbedoelende amateurs, die misschien stiekem denken dat de kindeigen problematiek door beter opvoeden en positivisme opgeheven kan worden. Het kind dat heeft te lijden onder de opmerking dat aandoeningen die door de thuissituatie worden veroorzaakt  ‘niet in de verzekering thuis horen’ zoals een woordvoerder van het Nederlands Zorg Instituut zo krachtig beweerde. De jeugd-ggz is inmiddels uit de verzekering  verdwenen, waarmee impliciet een verdenking ligt op iedere ouder die beweert dat zijn of haar kind iets mankeert van medische aard. Onder het mom van de zorg ‘dichtbij’ organiseren, zodat de gemeente beter zou kunnen doorverwijzen naar ‘toepasselijke hulp’ kon zij in werkelijkheid gezinnen opzadelen met sociaal gefröbel, sociale controle en verminderde toegang tot een professioneel niveau van hulpverlening aan kinderen.

De sociale oplossing?

Er wordt door voorstanders van de participatiegedachte nog steeds gepredikt dat meer sociale betrokkenheid en het eigen netwerk de oplossing zou zijn voor veel soorten van jeugdproblematiek. De maatschappij zou teveel geïndividualiseerd zijn en hierdoor zijn er in de wijken ‘te weinig ogen’ om de opgroeiende kinderen in de gaten te houden volgens Brinkgreve in haar essay uit 2009 ‘Onzekere Ouders’(4). Een merkwaardig dualisme wordt hier zichtbaar in verband met de Civil Society die centraal staat in het nieuwe zorgstelsel voor de jeugd. Juist allochtonen (zonder jeugd-ggz) hebben vaak een groot eigen netwerk. Alle ooms, tantes, opa’s en oma’s, neefjes en nichtjes komen regelmatig bij elkaar over de vloer, zodat gebrek aan ‘ogen’ bepaald niet de oorzaak kan zijn van een kind dat ontspoort. 

In Rotterdam had in 2012 maar liefst 56,27 procent van de jeugdigen in de achterstandswijken te maken met jeugdhulpverlening. Gebrek aan eigen netwerk kan in veel gevallen niet als oorzaak worden aangewezen, want allochtone burgers zijn veel sterker op familiebanden georiënteerd dan de gemiddelde autochtoon. Het lijkt er zelfs omgekeerd vaak op dat een te sterke sociale bemoeienis uit eigen kring integratie en maatschappelijke participatie kan tegenwerken (5). En ook taalproblemen staan de toegang tot goede zorg voor jeugdigen vaak in de weg, zoals een onderzoek naar de behandeling van allochtone kinderen voor ziekten als diabetes aangaf in 2009.(6)

“Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie wijst er op dat er in het veld eerder zorgen zijn over dat bepaalde groepen jeugdigen die nog onvoldoende bereikt worden, bijvoorbeeld allochtone jeugdigen en jeugdigen
in de jeugdzorg.”
(7)

De kronkel in de logica

Waar het wringt in de Transitie-logica is dat er tegen elkaar inwerkende bewegingen worden gecreëerd, van autochtone ouders die worden ontmoedigd om met hun kind naar de jeugd-ggz te gaan en allochtone ouders die ze er juist naartoe willen sturen. Terwijl de overheid weet dat zij daar vaak niet naartoe willen als onderdeel van de schaamtecultuur. De angst dat een professionele diagnose zal leiden tot stigmatisering binnen de eigen groep is groot onder allochtonen en daarom moeten allochtone ouders ook laagdrempelig binnengeloodst worden via de sociale wijkteams, waarbij de suggestie die ze wordt voorgehouden is dat de meeste problemen vooral in sociaal verband zullen worden opgelost. 

In werkelijkheid hoopt men de gedragsgestoorde kinderen met serieuze aangeboren aandoeningen er toch zoveel mogelijk uit te vissen. Aangezien dit niet enkel kan worden opgezet voor allochtone gezinnen, omdat dat discriminerend zou overkomen, worden alle ouders naar de wijkteams gestuurd, ook degenen die de weg naar de juiste hulpverlening voor hun kind heel goed zelf weten te vinden. Vandaar dat er een rare mix ontstaat van het verdacht maken van aangeboren aandoeningen, terwijl men stiekem juist hoopt meer allochtone kinderen te diagnosticeren waarbij dan het eigen netwerk centraal wordt gesteld, terwijl veel allochtonen al over een uitgebreid eigen netwerk beschikken. En de meer geïndividualiseerde autochtone ouders worden juist tot meer eigen netwerk veroordeeld en zullen minder makkelijk toegang krijgen tot de jeugd-ggz, onder de vlag van zo’n gecultiveerd filosofisch begrip als de Civil Society zodat de hoger opgeleiden niet te snel argwaan krijgen.  


Het is een merkwaardig verhaal dat alle kanten opgaat en dat geen enkel onderscheid maakt tussen het gemiddelde gezin in Nederland en de specifieke stadscultuur waar de achterstandswijken met hun ‘criminogene karakter’ in hoge mate probleemgedrag bij kinderen uitlokken en waar een jarenlang tekort aan handhaving door de overheid een belangrijke factor voor de escalatie is geweest. Er wordt geprobeerd een nivellering tot stand te brengen van culturele aard, die in veel gevallen meer met integratieproblematiek te maken heeft dan met medische zaken en tegelijkertijd hoopt men door de sociale benadering geld te besparen, wat ook al een slecht argument is voor  betere hulp aan jeugdigen. Meer kwaliteit is niet altijd direct goedkoper, maar misschien wel preventiever en daarom had er ook gestreefd moeten worden naar specialistische doelgroepingangen in de toegangspoort naar de jeugdhulp. Preventie bewerkstelligen door ‘goedkoop’ bezig te zijn lijkt een omkering van het proces dat moet leiden tot een effectieve en duurzame hulp aan jeugdigen.

Scheiding van probleemfactoren

In plaats van sociaal-culturele problematiek, de prestatiemaatschappij en het disfunctioneren van Bureau Jeugdzorg van elkaar te scheiden, heeft men ernaar gestreefd om de werkelijke knelpunten in de zorg aan jeugdigen zo min mogelijk te benoemen en een complete stelselvernieuwing op te zetten gepaard gaande met bliksemafleiders en drogredenen. Het probleem van de ‘dubbele pet’ van Bureau Jeugdzorg had binnen het bestaande stelsel aangepakt kunnen worden evenals haar speculatieve werkwijze. Ze had van adviesbureau voor opvoedondersteuning nooit mogen uitgroeien tot ‘sociale politie’, waarmee ze al haar cliënten heeft weggejaagd. Het is de politiek zelf die haar teveel macht heeft gegeven, door van haar te eisen elk soort van jeugdproblematiek te kunnen oplossen die vaak meer met maatschappijstructuur dan met opvoeding te maken had. Met het teruggeven van het ‘vertrouwen’ aan de hulpverlener hoopt de overheid dat de ‘klik’ terugkomt in de hulpverleningsrelatie, maar gebrek aan professionaliteit los je niet op met een ‘klik’. De gemeenteambtenaar die hulpaanvragen moet beoordelen in het nieuwe stelsel zal in dezelfde positie terecht komen als de gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg. Ook de lokale overheid wil professionele hulp zoveel mogelijk buiten de deur houden en zoekt (de oplossing) van problemen voornamelijk op het sociale vlak. Hiermee wordt opnieuw een jeugdhulpverlening van lage kwaliteit gerealiseerd waarbij de bewijslast bij de ouders ligt.

Sven Snijer





(5) Van der Zwan, ‘De zoontjesfabriek’, Ayaan Hirsi Ali, blz 83, Sociaal-Culturele benadering.

(6)‘Tien interviews duidden steeds op problemen in de arts-patiëntcommunicatie: verkeerd begrepen, onduidelijke verwoording of niet-uitgewisselde informatie.’ Dit zou leiden tot een significante onderbehandeling van met name Marokkaanse en Turkse kinderen. H&W, Huisarts en Wetenschap Allochtone kinderen krijgen slechtere zorg, http://www.henw.org/archief/volledig/id895-allochtone-kinderen-krijgen-slechtere-zorg.

(7)Veldhuyzen van Zanten http://journalistiek.npo.nl/dossiers/farmaceutische-industrie/370_3339-vragen-aan-staatssecretaris-veldhuijzen-van-zanten-hyllner